Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 7

Zijn charme twinkelt in zijn heterochrome ogen

 

Come they told me pa-rum-pum-pum-pum
A newborn king to see pa-rum-pum-pum-pum

 

Plots overstemt een sonoor, soporeus gezoem je monoloog.

Al gauw dwaalt er rumoer door de gang. Vertraagde voetstappen haasten zich naar buiten. Er is geen paniek. Louter verwondering.

Een deur gaat open. De man die je ontving aan de balie, wenkt jullie het kantoor uit. Hij zegt, met angst en fascinatie in zijn blik: ‘Kom kijken, buiten, vlug.’

De agent en jij wandelen het kantoor uit, volgen de baliebediende de straat op. Daar staan alle agenten van wacht met hun blik gefixeerd op de lucht en de nacht. Ook jij kijkt omhoog, knippert, sluit je ogen, ziet je oogleden oplichten, opent je ogen dan opnieuw. Je gedijt in het gezoem.

Laag boven de straat zweeft een kolossale cirkel van licht. De boord van de cirkel is bezet met glimmende, glanzende parels van neon. Het luchttuig deint in de lucht, zuigt zacht zoemend de beweging en onrust uit de lichamen en geesten van de agenten, als was het een transcendentale stofzuiger. Ook jij voelt je kalm, kalmer dan weleer, kalmer dan ooit.

Je kijkt om je heen. De agenten zijn stil, roerloos, gekristalliseerd. De cirkel is een bron, straalt een diffuus lichtdoek uit dat de stad en de perceptie omzwachtelt.

De nacht klaart sferisch op door een ufo van blacklight. Je voelt hoe een trechter het gezoem uit de lucht puurt, hoe er enkele ogenblikken later louter absolute stilte te horen valt. De geruisloosheid benauwt en vermoeit je. Je oogleden torsen het gewicht van je gemoed.

Dan glijdt de ufo zachtjes voorwaarts. De agenten zijn tot menhirs verworden. Je volgt de beweging van de ufo niet. Je draait je om. Meteen schiet de ufo eensklaps vele decameters, hectometers, kilometers, lichtjaren omhoog, tot hij niet meer dan een stip, een fonkeling is in de laaghangende zwarte nacht.

Je stapt in de tegenovergestelde richting van waar de ufo heen ging. Je haalt je smartphone uit je binnenzak. Het is 3.03 uur. Nog 55% batterij. Maar nog steeds geen netwerk. Zo kan het niet langer.

Je begint te rennen, op zoek naar een referentiepunt, iemand die je de weg kan uitleggen, of iemand die je de weg kan tonen, de postduif van de krantenwinkel in de buurt of zo. Je rent van hot naar her, in paniek, kijkt af en toe naar boven, naar de ster die jij als ufo hebt ontmaskerd, maar die ster geeft geen krimp, die houdt zich koest. Je hebt geen telescoop nodig om dat te zien.

Je bent zo moe, hebt zo’n dorst.

Je adem verzwaart jou.

Je passen worden drassiger.

Je leeft van fragment tot fragment.

Van nergens tot elders.

Tot je plots weer dezelfde ufo als voordien laag boven de stad ziet zweven. Hij knippert, vangt je in een lichtbundel, wil je ergens heen leiden. Deze keer volg je het luchttuig gedwee. Bij gebrek aan mensen of functionerende navigatieapps is de ufo je enige kompas, je enige ticket naar huis.

Met hernieuwde krachten zet je de tocht verder. De wandeltocht is bar en kil, maar je beschikt over nieuwe energie. Af en toe tref je een ongeopend blikje Cola voor je aan, soms zelfs een Cola Life, vind je een reep Côte d’Or met melkchocolade of een pak frietjes met twee frikandellen, warm en dampig, alsof ze net zijn gebakken. Ze geven je moed, kracht en sterkte om je tocht verder te zetten.

Na je-weet-niet-precies-hoe-lang beland je eindelijk in de ellenlange Rupelmondsesteenweg. De ufo houdt halt boven een appartement. Nummer 1989. Jouw appartement. Appartement B201. Eindelijk.

Je haalt je sleutels uit je binnenzak, opent er de voordeur van het gebouw mee. Dan draai je je weer om, kijkt omhoog, naar de ufo, en zwaait naar de piloot en zijn of haar bemanning.

‘Bedankt, vrienden, bedankt voor alles!’ roep je. In een nanoseconde rijst de ufo weer omhoog, om incognito in de lucht te vertoeven. Je hebt ze wel door, denk je.

Je sluit de deur achter je, stapt de gemeenschappelijke trap op, de trap die naar je appartement op de eerste verdieping leidt. Maar voor je eigen voordeur sta jij. Een aantrekkelijke man met warrig donkerbruin haar, een snor en lange bakkebaarden, die een panterjas over een strak zwart pak draagt, met daaronder een zwartwit bolletjeshemd dat volledig is toegeknoopt. De man draagt geen das, maar wel een glimmend paar vrouwenlaarzen met maat 40,5 uit Zara. Jouw laarzen.

Dat ben jij. Dat ben jij. Toch?

‘Eindelijk’, zeg ik.
‘Wat?’ vraag je verbouwereerd.
‘Je weet niet hoe lang ik hier al sta te wachten, zeker? Ik had me mijn kerstnacht helemaal anders voorgesteld.’
‘Wie het zegt’, zeg je. ‘Wat doe jij hier?’
‘‘Wie ben je?’ zou een betere vraag zijn, vind je ook niet?’ zeg ik met milde pedanterie.
‘Wie ben je?’ vraag je. Je bent te moe voor dit soort gesprekken.
‘Je kent me wel.’
‘Nee, toch niet. Of toch: ben ik het zelf?’
‘Wat? Nee, ik ben niet jou. Laat daar geen misverstanden over bestaan. Hoe kan ik nu jou zijn?’
‘We lijken toch op elkaar?’
‘Dat is waar. En dat is een compliment, toch?’
‘Een compliment voor ons allebei hé?’
‘Zeker.’
‘Oké, dan zijn we het daarover al eens. Zeg je me nu wie je bent?’

Ik leun nonchalant tegen zijn voordeur en zucht diep. Ik had gehoopt dat hij wat vlugger van begrip was. Na achtentwintig jaar vind ik het nog steeds vreselijk dat sommige mensen zo traag van begrip kunnen zijn. Zelfs mensen in wie ik zoveel tijd heb geïnvesteerd. En dan blijf ik nog beleefd. Hoe vreselijk is het dat iedereen zoveel dommer is dan ik? Soit.

‘Ik ben Yannick Van Puymbroeck.’ Om mijn pose wat meer allure te geven, zet ik mijn zonnebril op.

Je had het moeten weten. Yannick Van Puymbroeck. Yannick Van Puymbroeck zelf.

‘Het spijt me, meneer Van Puymbroeck. Ik had u niet herkend.’
‘Het is niets, jongen. En zeg maar Yannick. Op z’n Frans. Met de klemtoon op de i.’
‘Oké, bedankt, Yannick. En zeg jij dan maar Francesco.’
‘Dat was ik sowieso van plan, jongen, geen nood.’
‘Ik ben een grote fan van uw werk. Zoals van uw fictieserie, hoe heet ze ook weer?’
‘Bedoel je Misantropica? Bedankt, maar dat was maar niets. Een vingeroefening. Een leerschool. Spielerei. Had veel absurder en filosofischer gemoeten. Los van de beeldvoering was alles zo… gewoon. En dat associeer je toch niet met mij, toch?’
‘Nee hoor, helemaal niet. Maar toch: ik vond het soms best wel grappig. Mitchell De Neuker en zo.’
‘Ja, dat was misschien een beetje grappig. Maar niet slim.’
‘En De wedergeboorten vond ik ook erg goed.’
‘Vond je? Dat is fijn, maar ook dat was niet gewaagd genoeg. Dat was een groot compromis. Een proces van doffe ellende. Toen ben ik mezelf echt tegengekomen, en ik zeg het je: als ik mezelf niet ben, dan schiet er nog maar weinig van me over. Geen charisma, geen mysterie, geen gezag, geen visie, geen overredingskracht, niets. Dan verzwelg ik in lange uiteenzettingen die nergens heen leiden, die in het beste geval de sfeer niet erger maken. Tsjah. Er is te veel geïmproviseerd. Op papier was het een listig en prachtig stuk. Had echt wat kunnen zijn. Jammer dat de regisseur onderweg noodgedwongen iemand anders moest worden. Achteraf denk ik: beter geen stuk dan een stuk dat niet van jou is. Maar ach: zoals bijna steeds is een geboorte beter dan een wedergeboorte. Bijna steeds.’
‘Maar Frank Vander linden en Eva deden dat toch goed? En de muziek was prachtig.’
‘Dat zeker’, zeg ik naar waarheid, zonder hem te corrigeren.
‘Wanneer maakt u nog iets nieuws?’
‘Binnenkort. En volgend jaar maak ik veel. Solovoorstellingen. Webserie. En eindelijk een roman, een echte, een zonder weerga. Het wordt tijd dat mijn brede omgeving mij eens au sérieux neemt, dat ze me met Kerstmis geen schouderklopjes geven en woorden van hoop moeten toefluisteren, maar dat ze wel hardop woorden kunnen uitspreken van lof en trots om wie ik ben en wat ik doe. Ik ben niet trouw genoeg aan mezelf. Maar daar komt vanaf nu verandering. Definitief. Geen weg terug. Nu.’

Ik strijk als een diva door mijn golvende kuif en coiffure om mijn statement te illustreren. Dan haal ik even mijn smartphone boven, om te kijken hoe laat het is. Het is halfvijf in de ochtend van Kerstmis.

‘Maar wat staan wij hier te zwammen?’ zeg ik. ‘Daarover wilde ik het helemaal niet met je hebben. Maar goed. Het is nu zo. Gedane zaken et cetera. Ik kom je tot de orde roepen.’
‘Waarover?’
‘Allereerst: vijf jaar geleden heb jij in mijn straat een huis laten uitbranden. Al mijn personages weg. Ik ben moeten verhuizen uit het Prinsenhof. En ik woonde daar nog zo graag.’
‘Het spijt me. Maar ik heb toch de hulpdiensten verwittigd?’
‘In een livereportage voor een studentenradio. Denk je dat ze daarnaar luisteren in de brandweerkazerne?’
‘Het zal me nooit meer overkomen. Maar de reportage was toch goed?’
‘Een reportage is maar zo goed als haar luisteraantallen.’
‘Wat commercieel van u.’
‘Waar staat je carrière nu in vergelijking met vijf jaar geleden?’
‘U hebt gelijk, meneer Van Puymbroeck. Ik zal eraan werken. Beloofd.’
‘Het is je geraden. Maar dat is nog niet alles.’
‘Oei?’
‘Ik ben niet tevreden met je gedrag van de afgelopen maanden. Als je vindt dat iemand niet goed genoeg is om het lief van je broer te zijn, praat dan met hem, in plaats van, euh, gekke dingen te doen. En doordat we fysiek nogal op elkaar gelijken, zijn er mensen die denken dat we karakterieel ook gelijkaardig zijn. En dat is verre van het geval, Francesco. Ik ben nooit gepest, ik zou nooit iemand uitlachen om zijn lengte en als ik verliefd ben op iemand, dan zeg ik haar dat meteen, hoe ze ook heet. En bovenal: ik hou zielsveel van mijn familie, ik vind de jaarlijkse viering op Kerstavond elk jaar de fijnste dag van het jaar. Maar ja, los daarvan, je weet hoe dat gaat: lezers willen zich altijd herkennen in de fictie van schrijvers die ze persoonlijk kennen.’
‘Ja, dat is waar’, zeg je.
‘Al ben ik wel blij dat je in de kerk die onzin over lengteverschillen tussen mannen en vrouwen uit de wereld hebt geholpen. Niet dat ik er zelf nood aan had, maar toch: ik waardeer het gebaar. Je begint je leven in eigen handen te nemen, je bent niet meer jaloers op anderen hun geluk, maar bent bereid om voor jezelf je geluk te creëren. Dat siert je, maar het is ook noodzakelijk. Want: dit is je laatste kans, Francesco.’

Je kijkt me nieuwsgierig en hoopvol aan.

‘Vooruit, laat me even binnen in je appartement. Er staat daar nog een halve beker Cola en die moet nog worden opgedronken. Ik kan niet tegen colaverspilling.’
‘Zoals u wil, meneer Van Puymbroeck.’

Je opent de deur van het appartement, ik volg je. Ik ga zitten aan tafel. Zie hoe je de lauwe beker cola van gisteren leegdrinkt. Vraag dan: ‘Krijg ik ook een glas, Francesco?’

‘Welke wil u, meneer, euh, Yannick?’ vraag je.
‘Doe maar Life. Heb je Cola Life?’
‘Sorry.’
‘Nee? Maar allez. Dat is de beste. En het is Kerstmis. Wat heb je?’
‘Gewone Cola en Cola Zero.’
‘Vooruit dan: een gewone cola. Niet goed voor mijn marathoncalorieën, maar die loop ik er dan wel af.’

Je geeft me een fris blikje Cola. Ik drink het met veel genot leeg.

‘Er gaat niets boven een fris blikje Cola, vind je ook niet, Francesco?’
‘Dat is waar, Yannick, dat is waar.’

Ik sta op, kijk weer op mijn smartphone. De tijd dringt.

‘Ben je klaar, Francesco?’
‘Ja.’
‘Pak dan je spullen in. Neem je gerief maar mee. Laptop, oplader, kleren, ondergoed, schoenen, pennen, tandenborstel, scheerapparaat, smartphone, dictafoon, camera, microfoon, noem maar op. Je gaat op reis. Ik heb een opdracht voor je. Betaald.’
‘Oh?’
‘Ik vertel het je later wel.’

Zo vlug je kan raap je alles bij elkaar wat je dierbaar is. Je favoriete broeken, kousen, boxershorts, truien, enkele laarzen en brogues uit je collectie schoenen, dan moet je essentiële gerief er nog bij, je tandenborstel, scheerapparaat, medicijnen, föhn, gel, wax, lak, haarspray, volumemousse, shampoo, douchegel, badjas, noem maar op.

Na een halfuur van twijfelen en inpakken heb je uiteindelijk je spullen in een grote koffer, een trolley, een ruime rugzak en een schoudertas weten te persen en proppen. Comfortabel is anders.

‘Klaar’, zeg je.
‘Prima’, zeg ik.

Dan wordt er aan de deur gebeld. Niet eenmaal, niet tweemaal, maar driemaal. Je schrikt. Wie zou dat zijn? Je zegt ‘Kom binnen!’ door de intercom, buzzt de bezoeker dan het gebouw binnen. Zou het je moeder zijn?

Je hoort voetstappen op de trap. Voetstappen voor de deur. De bezoeker laat de bel voor de deur van jouw appartement rinkelen.

Je beweegt je naar de deur, nog steeds strak in je zwarte pak, en opent ze. Dan valt je mond vol verwondering open. Je weet niet wat te zeggen tegen de bezoeker die je wel kent, maar nog nooit eerder hebt ontmoet. Hij is groot, slank, charismatisch, een en al klasse en grandeur, heeft geprononceerde jukbeenderen en een zilvergrijs kapsel dat los omhoog staat. Zijn charme twinkelt in zijn heterochrome ogen.

‘Hallo,’ zegt de man, terwijl hij je appartement betreedt. ‘Ben jij de nieuwe butler?’
‘Wel, het is al lang geleden dat ik de nieuwe eender wat was.’
‘Ik ben David Bowie. Ik verblijf hier nog maar net. Maar voor even.’
‘Hallo,’ stamel je, ‘ik ben Francesco Saelens. Ik ben een grote fan van uw werk.’
‘Bedankt. Dat betekent veel voor me’, zegt David Bowie met de hem typerende glimlach.

Ik wist dat dit ging gebeuren, maar uiteraard wil ik ook zelf deze kans niet aan mij voorbij laten gaan.

‘Dag meneer Bowie. Ik ben ook een grote fan van u. Ook van uw werk als acteur, trouwens. Merry Christmas Mr. Lawrence, prachtige film.’
‘Bedankt, dat betekent werkelijk heel veel voor me. Het blijft hartverwarmend om zoiets te horen.’
‘Ik heb uw werk leren kennen door mijn vader Dirk. Die is pas echt fan. Die heeft al uw platen, hij beluistert ze dagelijks. Hij heeft u tweemaal live gezien in de jaren 80. Het was mijn droom om ooit samen met hem naar een concert van u te gaan, maar helaas… U bent veel te vroeg gestorven.’
‘Ik vind het ook jammer. Ik had nog zoveel willen doen. Maar kijk: die ziekte heeft me toch weer mijn jukbeenderen teruggegeven, haha. Maar, jongens: ik denk dat het tijd is.’

Een sonoor, soporeus gezoem weerklinkt van nabij. Het gezoem van de ufo.

‘Zijn we weg, Francesco?’
‘Waar gaan we naartoe, meneer Bowie?’
‘Yannick heeft ervoor gezorgd dat jij me een jaar mag volgen in mijn nieuwe habitat, zodat je een uitgebreide reportage of documentaire of boek of podcast kan maken over mijn leven daar. Wat je maar wil. Zie je dat zitten?’

Even weet je niet wat zeggen. Niet omdat je twijfelt. Wel omdat het geluk je nog nooit zo in de schoot is geworpen. Dit is je grote kans. Dit is een kans om je talent te bewijzen. Met het resultaat van je verblijf van een jaar bij David Bowie zal je vast kunnen doorbreken in de journalistieke of artistieke wereld.

‘Natuurlijk zie ik dat zitten. Dank u, meneer Bowie, dank u.’
‘Zullen we?’ vraagt David Bowie.
‘Wacht.’

David Bowie en jij kijken me verbaasd aan. Ik twijfel, stel uiteindelijk dan toch de vraag.

‘Hebt u nog heel even?’
‘Goh, misschien? Waarom?’
‘Zou u… Zou u nog even willen blijven en een lied willen brengen? Alstublieft?’

Bowie twijfelt even, kijkt door het raam, dan weer naar binnen, en zegt tenslotte joviaal: ‘Maar natuurlijk wil ik dat. Met veel plezier, zelfs.’
‘En zou ik… Zou ik mijn vader mogen uitnodigen? Ik wil dit moment zo graag beleven.’
‘Een superfan als hij mag natuurlijk niet ontbreken’, zegt David Bowie minzaam. ‘Bel hem maar. Zeg hem dat hij zich moet haasten.’
‘Dat zal hij wel doen, geloof me.’

Ik bel de papa op, vertel hem vlug de situatie. Nog geen vijf minuten later bevindt hij zich in het appartement van Francesco. Hij is verlegener dan ik hem ooit heb gezien. Hij schudt Bowie de hand, wisselt enkele stotterende woorden van lof met hem uit, gaat dan met een stralende glimlach naast me zitten. Hij ziet mijn blikje gewone cola staan.

‘Gewone Cola? Dat is niet goed voor je marathontraining hé.’
‘Het is voor een speciale gelegenheid hé, papa. Ik loop de calorieën er wel af.’
‘Je hebt gelijk.’
‘Wil jij iets drinken? Dobbel Palm of zo?’
‘Ah ja, graag. Bedankt.’

Ik haal een flesje Dobbel Palm uit je koelkast en schenk het in een van je Palmglazen in. Al een geluk dat je dat toevallig in huis had gehaald voor onverwacht bezoek, denk je.

Dan is het moment gekomen. We gaan zitten, vol spanning en nervositeit. Bowie neemt plaats achter het keyboard dat hem vijf minuten eerder door het raam is aangereikt.

‘Het is Kerstmis, en op Kerstmis speel ik altijd graag het volgende lied. Ik heb het oorspronkelijk samen met Bing Crosby opgenomen. Het gaat als volgt.

Come they told me pa-rum-pum-pum-pum
A newborn king to see pa-rum-pum-pum-pum
Our finest gifts we bring pa-rum-pum-pum-pum
Rum-pum-pum-pum, Rum-pum-pum-pum

Peace on Earth, can it be?
(Come they told me pa-rum-pum-pum-pum)
Years from now, perhaps we’ll see?
(A newborn king to see pa-rum-pum-pum-pum)
See the day of glory
(Our finest gift we bring pa-rum-pum-pum-pum)
See the day, when men of good will
(To lay before the king pa-rum-pum-pum-pum)
Live in peace, live in peace again
(Rum-pum-pum-pum, Rum-pum-pum-pum)
Peace on Earth
(So to honour him pa-rum-pum-pum-pum)
Can it be
(When we come)

Every child must be made aware
Every child must be made to care
Care enough for his fellow man
To give all the love that he can

I pray my wish will come true
(Little baby pa-rum-pum-pum-pum)
For my child and your child too
(I stood beside him there pa-rum-pum-pum-pum)
He’ll see the day of glory
(I played my drum for him pa-rum-pum-pum-pum)
See the day when men of good will
(I played my best for him pa-rum-pum-pum-pum)
Live in peace, live in peace again
(Rum-pum-pum-pum, rum-pum-pum-pum)
Peace on Earth
(Me and my drum)
Can it be?

Can it be?

Jij, de papa en ik applaudisseren uitzinnig, diep ontroerd en gelukkig. Bowie maakt een elegante buiging met zijn hoofd.

‘We hebben nog wel even tijd, denk ik. Hebben jullie verzoeknummers?’
Sound and Vision, Rock ‘n Roll Suicide, Warszawa, goh, zo veel’, zegt de papa meteen.
‘Tegelijk kan ik ze niet spelen, maar een per een, dat moet wel lukken, denk ik’, zegt Bowie schalks.

Hij lacht. Jij lacht. Ik lach. De papa lacht. Dan zegt hij hardop tegen mij:
‘Wel, knol, dat heb je knap geregeld. Dit is de mooiste Kerstmis van mijn leven. De mooiste dag van mijn leven. Ik ben trots op jou.’

Bowie hoort het, knipoogt naar mij, naar mijn vader, naar Francesco, met een blik van dat uiteindelijk alles goed komt, zolang je maar blijft geloven in wie je bent en wat je wilt.

Dan zet hij de eerste noten van Sound and Vision in.

 

Einde

Published by

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *