Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 6

We leven nog en dat is het belangrijkste

 

Where is Mona?
She’s long gone

 

Het is halftwee in de nacht. Je breekt je wandeling af op de hoek van een grote maar verlaten straat. Aan de overkant brandt er nog helder licht, zie je nog beweging, beweging van mensen. Een goed referentiepunt, denk je. Je kijkt immers niet op een woonhuis uit, maar wel op een nachtwinkel, een winkel waarvan de conventionele openingsuren overeenstemmen met de sluitingsuren van alle andere. Sommige mensen vinden nachtwinkels marginaal, jij noemt ze visionair, de supermarkten van de 21e eeuw. Welke verlichte geest leeft immers nog steeds in dat stramien van het 9-tot-5-dogma? Hoe absurd is het dat er op dit uur geen bussen of treinen meer rijden? De tijd staat niet stil, zegt het cliché, maar mobiliteitsbeleidsbepalers weten dat met sprekend gemak te doorprikken. Voor hen staat de tijd al zo’n veertig, vijftig jaar stil.

De opkalefatering van bussen, wagons of perrons maakt het openbaar vervoer niet moderner, een dienstverlening die zich aanpast aan de samenleving wel. We leven in een wereld waarin – in tegenstelling tot zo’n veertig, vijftig jaar geleden – na 17 uur niet meer louter de brievenbus open is. Met dank aan het internet en de mobiele telefonie zijn we elke seconde van elke dag voor alles en iedereen bereikbaar en vice versa, 86 400 seconden per dag, meer dan 31,5 miljoen seconden per jaar. Maar de flexibiliteit die communicatie en werkuren ons bieden, die reikt het openbaar vervoer niet aan. Als je in het donker ergens wil raken zonder fiets of wagen, moet je steenrijk zijn of bereid zijn om je laatste briefje van twintig euro aan de taxi te besteden.

Je haalt je smartphone uit het door Laura gehaakte hoesje. Dat hoesje zorgt ervoor dat de batterij van je smartphone bij vriesweer geen vrije val meer maakt. Je kijkt naar het icoontje. Haast helemaal groen is het. Nog 89% batterij heb je. Meer dan voldoende, denk je.

Je belt de taxidienst. Stelt je voor als Francesco Saelens. Vraagt om een taxi op de hoek aan het begin van de Nazarethsesteenweg. Pal tegenover de nachtwinkel. Nummer 3. Over een kwartier oké? Ja, oké.

Het is koud en dat is een parabool. Het is veertien graden onder nul. Je rilt, tolt wat rondjes, beweegt wat heen en weer als een ijsbeer. Hoewel: op de noordpool is het nu vast warmer dan hier. Gelukkig isoleert je panterjas best goed.

Je hoort twee dronken lieden de nachtwinkel verlaten. De lallende stemmen herken je van ergens. Dan hoor je hoe ze jou opmerken. Van achteren bekeken ben jij voor hen een silhouet van 161,5 cm, 54 kg met halflang, donker, warrig haar, met slanke benen in superstrakke kostuumpantalon en met glimmende laarzen die je met je schoenmaat 40,5 in de vrouwensectie van Zara hebt kunnen aanschaffen. Zij zien je niet als een trashy dandy, maar als een gestileerde vrouw van woeste zeden in winterse oorlogstenue.

‘Hey.’
Ze fluiten. Roepen dan:

‘Bunga bunga.’
Je kijkt niet op. Geen reactie. Je blijft een silhouet, een schim, geen man, wel een mysterie.

‘Hoeveel moet het kosten? Toon ons die D-cup eens?’

Je draait je om. Ze zien een vrouw met een dikke snor, dikkere bakkebaarden, zonder ook maar iets dat op borsten lijkt. Dat je ooit jarenlang als kind op de bank zat in hun voetbalploeg, zijn ze helemaal vergeten.

‘Hoeveel moet het kosten, freak?’
Tegen intoxicatie valt er met rede niets te beginnen. Je gaat mee in de waan.
‘200 euro’, roep je.
‘Heb jij nog 160 euro?’ vraagt de centrumspits aan de vleugelaanvaller.
‘Ik heb niets meer’, zegt die.
‘Dju.’

Het schorem waadt door de sneeuw, onderweg naar waar de kerstnacht en de veel te dure fles rum hen brengt. Je tolt om de koude en de verveling te bestrijden wat rondjes in de sneeuw, schrikt dan plots op door een gerucht. Je kijkt achter je, ziet niets, maar lijkt adem te horen. Het gevoel dat je bespied wordt, bekruipt je. Je probeert het te vergeten, neuriet het eerste lied dat in je opkomt. Fifteen Feet of Pure White Snow van Nick Cave weet je gedachten af te leiden. Je herhaalt het tot je de koplampen van een vervaarlijk slingerende taxi in het sneeuwlandschap weet te ontwaren. De taxi stopt. Het raampje gaat open.

‘Saelens?’
‘Ja.’
‘Stap in.’

Je kruipt op de achterbank. Begroet de chauffeur vriendelijk, geeft het adres van je appartement op. De man monstert je in zijn achteruitkijkspiegel, zijn ogen zijn wijd gesperd, hij ziet eruit alsof hij al menig etmaal onafgebroken achter het stuur zit. Hij begint te rijden zonder op de baan te letten.

‘Jij lijkt op die ene’, zegt hij na een poos.
‘Dat kan.’
‘Die ene van tv, die van die serie, hoe heet hij ook weer?’
‘Ik weet niet wie je bedoelt.’
‘Hij had dit jaar ook een nieuw toneelstuk uit. Frank Vander linden speelde erin mee. Met een Hollands accent.’
‘Ik weet echt niet wie je bedoelt.’
‘Vooruit, die schrijver van die serie. Met die dichters. Hoe heet hij ook weer?’
‘Pas op!’

Je schreeuwt. Ziet plots een veel te hoge vluchtheuvel opdoemen. De wagen keilt er met een luide bons tegen een te hoge snelheid overheen. De chauffeur glimlacht. Zijn geest is moe en troebel.

‘Geen paniek’, zegt hij laconiek. Dan ziet hij het licht.
‘Yannick. Zo heet hij. Yannick Van Puymbroeck. Van die serie met die dichters.’
‘Oh, is dat van hem?’ reageer je nietszeggend.
‘Je lijkt wel een kloon van hem.’
‘Toch ben ik het niet’, zeg je.
‘Spijtig. Anders kreeg je B.V.-korting, haha.’

De taxichauffeur rijdt door de slapende, sneeuwwitte stad. De teller tikt onverstoorbaar. De rit is ondertussen al veertien euro lang. Je herkent de omgeving. Je bent bijna thuis. Meer dan naar eender wat anders verlang je naar weer een goede nacht slaap, zodat je morgen met een heldere geest kan nadenken over de chaos die je leven geworden is. Je haalt het pillendoosje uit je binnenzak en slikt een volledige slaappil in.

Doordat je vermoeid bent en al even niets meer hebt gegeten of gedronken, overvalt het effect van de slaappil je meteen. Je zakt onderuit, voelt je wat draaierig, kijkt uit het raam, probeert je op een punt te focussen, maar al wat je ziet is een fantasmagorie van dansende lichtjes in deinende voortuinen. Kerstelfjes en sneeuwmannen zwaaien je in slowmotion toe. Je zwaait terug. De taxichauffeur mompelt iets over dronkenschap. Je blikt slalomt van buiten naar binnen, langs de dommelende chauffeur naar de geanimeerde teller met rode lichtjes, bent tomeloos gefascineerd door de elliptische bewegingen die de immer verspringende getallen maken, wacht af tot het ogenblik dat de een, de negen, de acht en de nul in een twee, een nul, nog een nul en nog een andere nul transfigureren. Je hebt immers maar twintig euro op zak. Een verdere autorit kan je niet betalen.

‘Stop’, zeg je nonchalant, onverwacht, met een geaccentueerd occlusief. De chauffeur ontwaakt in paniek, is de controle over het stuur verloren, gaat in een laatste reflex vol op de rem staan, slipt en sputtert over het wegdek als rende hij op bowlingschoenen een pas geboende ijspiste op, zwenkt van de straat af, ramt het bordes van een plechtstatig herenhuis, botst op een levensgrote somber kijkende kerstman. De airbag knalt als een kogel uit het stuur. ‘Oei’, zeg je tegen jezelf. Je haalt je laatste briefje van twintig euro uit je portefeuille en stopt het in de jaszak van de tussen de stoel en het stuur geknelde taxichauffeur.

‘Vrolijk kerstfeest’, zeg je.
‘We leven nog en dat is het belangrijkste’, zegt de taxichauffeur, legt dan zijn hoofd te rusten op de airbag als was het een moederborst en begint ogenblikkelijk te ronken.

Je stapt uit, treft een verlaten straat aan die je niet kent en begint te wandelen waar je instinct je heen leidt. Of wacht. Toch niet. Je hebt natuurlijk je smartphone. 62 procent batterij nog. Dat gaat nog, denk je. Geen netwerk, lees je bovenaan op het scherm. Je wandelt. Onderweg naar ergens. Onderweg naar huis.

Tussen de kerstlichtjes die de huizen en gebouwen sieren, ontwaar je plots een logo, een blauwe vlam in een witte cirkel. Ook al licht louter kunstlicht op dit uur de werkelijkheid op, toch zie je plots alles klaar. Dit is een teken, denk je, dit is jouw kerk, jouw biechtstoel. En misschien is het daar wat warmer dan hier.

Je sloft door een elektrisch geopende schuifdeur het gebouw binnen, beweegt je naar de balie, waar een oude man met een witte baard je ontvangt.

‘Wat kan ik voor u doen?’

Je kijkt om je heen. Kijkt naar de muur. Waar een blad hangt. Een blad met haar foto op. Ze kijkt je aan met de glimlach, haar angstaanjagende, huichelachtige glimlach. Je wijst naar de foto.

‘Het gaat over haar’, zeg je. ‘Ik wil de verantwoordelijke spreken.’
‘Wat is uw naam?’
‘Francesco Saelens.’

De man fronst een wenkbrauw, kijkt je onderzoekend aan. Zegt dan: ‘Komt u maar mee.’

Je volgt de agent. Wandelt enkele deuren voorbij. Gaat de deur binnen die hij voor je openhoudt.

‘Ga hier maar zitten’, zegt hij. ‘Mijn collega komt er zo aan.’

Je doet wat de agent zegt. Je gaat zitten op de blauwe plastic stoel. Je zit voor een bureautafel in een klein kantoor. Op de tafel prijkt een oude computer. Kronkelende posters sieren de muur, ook de hare. Een kerstboom krimpt in de hoek.

Na je-weet-niet-precies-hoeveel minuten komt een andere agent het kantoor binnen. Hij neemt aan de andere kant van de tafel plaats, schudt je de hand, zegt: ‘Vertel het maar, meneer Saelens.’

Even denk je na, probeer je de gevolgen te voorspellen. Maar je bent te moe om nog te redeneren. Het waas opent je hart en je ziel, je eigenste doos van Pandora.

‘Ik beken. Ik was in de Ardennen. Wij allemaal, eigenlijk. Voor een weekend. Een leuk weekend. Een verrassingsweekend. Lorenzo werd dertig en dat vierden we in de Ardennen. Ik was daar. Wij allemaal, eigenlijk. De hele familie was daar. Hij wist van niets. Wij hadden het allemaal georganiseerd. Zij ook. Zogezegd. Veel hulp bood ze niet. Alleen maar gezeur. En kritiek. Terwijl hij alleen maar het beste verdient. Hij heeft een hart van goud, maar het hare was koud. Om maar te zeggen.

We hadden allemaal een gloedhekel aan haar. Altijd moest ze in de belangstelling staan. Alles draaide om haar. Haar gewoontes waren de wet. Zij staat altijd vroeg op. Na de eerste nacht werd ze wakker om zes uur. Ze stond met veel trammelant op. ‘Goeiemorgen, schatjes!’ riep ze luid en overdreven vrolijk. Iedereen was klaarwakker.

Om halfzeven zaten we allemaal aan het ontbijt. Maar alles was slecht. De koffie was te slap. De croissants te vet. Het stokbrood niet Frans genoeg. De eieren waren ongezond. De sla, ja, die vond ze lekker. We speelden een gezelschapsspelletje. Lorenzo vermaakte zich. Zij wist niets. Vond de vragen te moeilijk. Ging boos weg. Wou gaan wandelen. De Bidon wou dat er een paar mensen gingen meewandelen. Anders zou ze nog slechtgezinder worden.

En dus gingen we wandelen. In de Ardennen. Het was nat en koud in dat bos. Ze zei niets. Was niet te genieten. Zo lang als ik haar kende was ze niet te genieten. Onuitstaanbaar was ze. Ze liep een paar meter voor ons. In haar eigen wereld. Zoals ik in de mijne.

En ik kreeg een visioen. Ik dacht eraan wat er zou gebeuren als mijn broer plots zou sterven. Hoe zij plots de betraande weduwe zou zijn. De eredienst naar zich zou toetrekken. Hoe alles dan naar haar zin zou moeten zijn. Niet naar de zijne. Niet naar die van zijn familie. Niet naar die van ons. En ik werd bang. Niet alleen door de gedachte dat mijn broer er niet meer zou zijn, maar ook door de gedachte dat zij alomtegenwoordig zou zijn op de vreselijkste dag van mijn leven. Dat zij vooraan in de rij van de grievenden zou staan. Dat wil ik niet, dacht ik.

Je kan niet geloven hoezeer ze op hem neerkeek. Ze voelde zich zo verheven, als was ze een koningin, de paus, de zon, een godin, de oerknal, een goeroe. Maar ze was een onuitstaanbare demon, die Mona. We ergerden ons allemaal kapot aan haar.

En toen gebeurde het. In het bos scheen het licht.

Oom Patrick draaide zich naar mij en fezelde met een brede glimlach: ‘Kunnen we die hier niet ergens begraven? Niemand zou haar hier ooit vinden.’

Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee.’

 

Where’s my nurse
I need some healing
I’ve been paralyzed
By a lack of feeling
I can’t even find
Anything worth stealing
Under fifteen feet of pure white snow

Is there anyone else here who doesn’t know?
We’re under fifteen feet of pure white snow

Raise your hands up to the sky
Raise your hands up to the sky
Raise your hands up to the sky
Is it any wonder?
Oh my Lord! Oh my Lord!
Oh my Lord! Oh my Lord!
Save Yourself! Help Yourself!
Save Yourself! Help Yourself!
Save Yourself! Help Yourself!
Save Yourself! Help Yourself!

– Nick Cave

Published by

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *