Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 4

Ergens in de Ardennen trompt een olifant

 

So this is Christmas
And what have you done?

 

De ene olifant in de kamer heeft de grootte van een microvarken. De andere hebben jullie ergens in de Ardennen achtergelaten.

Kort nadat de ambulance Hildegard had afgevoerd, de overbuurvrouw die als gevolg van een al te hevige lachstuip een beroerte had opgelopen, en nadat ze in de nachtwinkel nieuwe drank waren gaan halen, maakten je zus en je diminutieve schoonbroer eindelijk hun intrede op het feest, en meteen trokken de enkele minuten voordien uitgesproken bezwaren en grappen van je familieleden zich terug in hun respectieve achterhoofden als slakken in hun huisjes.

De nieuwe vriend werd begroet als was hij de volmaakte Jan Modaal: een verzorgde man met een korte, kalende coupe en een driedagenbaard, iemand met een keurige baan als hoogleraar, iemand met een passie voor auto’s en motorsport, iemand die zoals elke normale man bier lust, iemand die zich amechtig vastklampt aan Zwarte Piet als ons cultureel erfgoed. En bovenal: iemand die zich in discussies fanatiek over politiek uitspreekt, hoewel hij in verkiezingstijden op de stellingen van internetstemtests veelal geen mening invult en daarom dus steevast de CD&V als stemadvies krijgt toegewezen. Contrair als hij is, stemt hij echter steevast op de N-VA, naar eigen zeggen uit persoonlijke sympathie voor Jan Peumans.

Of, kortom: ondanks dat hij zo’n twee hoofden kleiner is dan jij, staat hij inmiddels al meer dan een paar zevenmijlslaarzen boven jou in de familiehiërarchie.

Dat hij het op je gemunt heeft, spreekt op dat vlak ook in zijn voordeel. Het heeft geen twee minuten geduurd voor hij de familie heeft verteld van jullie eerste ontmoeting. De excuses die je hem toen had nageroepen, beweerde hij niet te hebben gehoord, vooral omdat jij die vast ter plaatse had verzonnen, waarop je familieleden bij monde van vooral de Bidon en je moeder scha en schande van je spraken.

Marie en Gaspar vonden de dwerg ook meteen erg prettig. Ze zagen in hem een nieuw speelkameraadje, iemand met wie ze tikkertje, verstoppertje, poppenkast en de kinderstoelendans konden spelen. Wat was de gnoom verbouwereerd toen Liesbeth opperde dat jij niet zo’n goede band met de kinderen had, vooral toen bleek dat de kinderen je naam nog niet eens kenden. In een vlaag van grootsheid leerde hij Marie en Gaspar jouw naam aan. De giechellachjes van de kinderen toen ze de dwerg herhaaldelijk vol spot ‘oom Frisco’ hoorden zeggen, sneden door je hart als een cirkelzaag door roomijs.

Toen je vertelde dat je podcasts maakte, kreeg hij de lachers op zijn microhand met een ‘de pot-cast op’-woordgrap, want een gemeenschappelijk mikpunt van spot is bevorderlijk voor de sfeer in een groep, hoe slecht de grappen over dat mikpunt ook zijn.

Hij verslikte zich in zijn La Chouffe en zijn blokje salami toen hij hoorde dat je de Bobon nog steeds ‘de Bidon’ noemt, omdat je haar roepnaam als kind maar niet uitgesproken kreeg en tegen elke correctie in ‘de Bidon’ bleef zeggen. Jammer genoeg wist Liesbeth het Heimlichmanoeuvre uit te voeren.

Als apotheose van de hilariteit voorzag hij jou als enige aan tafel van een kinderbeker in plaats van een glas, ‘omdat jij toch geen bier drinkt, zoals de echte grote mensen’. Met de frase ‘al een geluk dat Laura en Lorenzo de genen van jou en de Bobon hebben geërfd, mevrouw Martine, en niet die van hun vader, zoals, euh, hoe heet hij ook weer, Frisco?’ wist de driftige dreumes in een klap zijn nieuwe lief, schoonbroer, schoonmoeder en grootmoeder in te palmen.

Na de soep mocht hij van Liesbeth zelfs Marie en Gaspar in bed leggen, ze het sprookje van Repelsteeltje voorlezen en ze een zoentje geven, zodat ze goed zouden dromen. Toen hij de kinderen uit eigen beweging nog een gebed voorlas, was de Bidon zo ontroerd dat ze hem als beloning voor zijn christelijke ziel prompt het kerstgeld ter waarde van 150 euro gaf uit de enveloppe die eigenlijk voor jou bestemd was.

Echt: als het nog steeds een erkende sport was geweest, dan was jij hier en nu olympisch kampioen dwergwerpen geworden.

Na het voorgerecht luidde de Bidon vol enthousiasme en ongeduld een van de belangrijkste ogenblikken van elke kerstavond in. Naar jaarlijkse gewoonte hadden jullie op Pasen al een loting laten plaatsvinden om te bepalen wie wier Secret Santa zou zijn, zodat iedereen voldoende tijd zou hebben om het perfecte cadeau te vinden binnen de grenzen van het budget van 25 euro. Oorspronkelijk had jij dus, euh, die Mona geloot, maar uiteindelijk moest je een cadeau kopen voor Laura’s nieuwe lief, the Secret Elf, zeg maar.

Iedereen wist zich dit jaar weer te overtreffen. Oom Patrick gaf Liesbeth een bon van Ikea, Liesbeth gaf Lorenzo een bon van Bol.com, Lorenzo gaf Matthijs een bon van Mediamarkt, Matthijs gaf de Bidon een bon van de C&A en de Bidon gaf je moeder gewoon vijf briefjes van vijf euro.

Nu is je moeder echter aan de beurt. Zij heeft geen kaartje af te geven, maar echt een ingepakt cadeau in een behoorlijk grote doos. Je vraagt je af voor wie het cadeau bestemd is.

‘Voor mijn favoriete kind, ik bedoel, dochter’, zegt je moeder wanneer ze het cadeau aan Laura overhandigt.
‘Bedankt, moeder.’ Ze kijkt verbaasd. Een bon is meestal toch niet zo groot?

Laura scheurt de verpakking open. De familie kijkt nieuwsgierig toe. Een doos van Zalando is haar deel. ‘Vooruit, maak open’, vuurt je moeder je zus aan.

Laura opent de doos en haalt er een paar hoge pumps met pantermotief uit. Ze glimlacht breed. De dwerg kijkt nerveus. ‘Oh la la la’, begint oom Patrick uit het niets TC Matic te zingen.

‘Wauw, moeder, ze zijn prachtig, dankjewel’, zegt Laura oprecht, en ze geeft haar moeder een zoen. ‘Hebben die echt maar 25 euro gekost?’
‘Ze hebben mij maar 25 euro gekost, maar eigenlijk kostten ze 50 euro. Maar ik had nog een tegoedbon, vandaar.’ Liesbeth fronst het gelaat. Zij had je moeder vorig jaar een bon van Zalando gegeven.

‘Vind jij ze ook niet prachtig, liefje?’ vraagt Laura aan de dwerg, maar die bet met een servet zijn gezicht.
‘Scheelt er iets?’ vraagt je moeder aan haar schoonzoon.
‘Laura,’ zegt hij met te weinig adem, ‘hoe groot ben jij?’
‘Ongeveer 1m63, waarom?’
‘Hoe hoog zijn die schoenen?’
‘10 cm’, zegt je moeder.
‘Hoe groot is de gemiddelde Belgische vrouw?’ vraagt de dwerg. Meteen zoekt Matthijs het antwoord op. ‘164,6 cm’, zegt hij. De dwerg hyperventileert.
‘Ruil die schoenen maar om. Geen sprake van dat je die draagt.’
‘Scheelt er wat, schat?’ vraagt Laura bezorgd, terwijl ze zijn rug liefkozend streelt.
‘Kijk, Laura. Ik heb geen enkel probleem met mijn lengte. Maar ik heb me voorgenomen dat ik nooit iets zou beginnen met een vrouw die groter was dan de gemiddelde vrouw. Dat zou belachelijk zijn.’
‘Waarom zou dat belachelijk zijn? Ik ben toch niet groter dan de gemiddelde vrouw?’
‘Met zulke schoenen aan toren je boven al best grote vrouwen uit. Dat zou echt geen gezicht zijn. Het moet menselijk blijven. Een vrouw mag niet groter zijn dan een man met een normaal postuur. Bij een dwerg is er 50 cm respijt. Dat respijt zou jij nu met de voeten treden. Als je die glorieus oncomfortabele panterpumps draagt, is het gedaan tussen ons.’
‘Hoe maken die 10 extra centimeters nu het verschil?’
‘Het gaat om de statistieken en het principe.’

Wat een krasse uitspraak, denk je, en je ziet hoe er zachte damp uit de rug van de dwerg lijkt op te stijgen, als had hij net een marathon gelopen, zoals de vader van die theatermaker en schrijver Yannick Van Puymbroeck blijkbaar al meermaals heeft gedaan. Je herinnert je dat uit een van de roddelblaadjes die in de wachtkamer van dokter Vermorgen lagen. Dirk heet de man trouwens. De vader van Yannick Van Puymbroeck, bedoel je, niet dokter Vermorgen. Hoewel die ook Dirk heet. Hoe dan ook: volgend jaar wil die Yannick Van Puymbroeck met de steun van zijn vader zelf zijn eerste marathon lopen, hij wil dat doen voor hij 30 wordt, op 20 januari 2019 is dat, herinner je je nog. Als mensen niet veel te doen hebben, beginnen ze maar te sporten, denk je. En dan ontwaak je uit je gedachtestroom en volg je weer geïntrigeerd de discussie tussen Laura en de dwerg.

‘Ik toren sowieso al boven je uit.’

De dwerg weet niet wat hij hoort, slaat met zijn vuistje een barst in de tafel. Er komt rook uit zijn hand. Niemand ziet het behalve jij.

‘Noem jij mij klein?’
‘Ja.’
‘Wat?’
‘Je bent toch niet groot?’
‘Het is gedaan tussen ons.’ De dwerg klimt van zijn stoel en stapt naar de voordeur.
Bye Bye Till the Next Time’, lalt oom Patrick een andere TC Matic-hit.
‘Wat krijg jij nu toch, liefje?’ vraagt Laura bezorgd, maar de dwerg reageert koleriek.
‘Stop nu eens met dat verkleinwoord’, briest hij. ‘Lief noem je mij, lief en niets anders.’

Op dat ogenblik begint de olifant in de kamer danig te trompen. Oom Patrick spreekt uit wat iedereen denkt.

‘Hoe heet jij eigenlijk?’
Devid’, zegt de dwerg.
‘Hoe?’
‘David, maar dan op zijn Engels’, verduidelijkt Laura.
‘Maar je schrijft het met een e’, zegt de dwerg. ‘D-e-v-i-d.’
‘Jij schrijft het met een e, maar op je identiteitskaart staat het met een a’, corrigeert Laura.
‘Ja, David dus, en hoe nog?’ vraagt de Bidon, terwijl ze naar de keuken wandelt. ‘Dan zet ik je meteen op de verjaardagskalender.’

De dwerg gaat wat dichter bij Laura zitten, fluistert, zodat alleen Laura hem kan horen:
‘Ja, ja, officieel is het nog met een a, ja. Zodra ik 470 euro kan betalen om mijn voornaam te laten veranderen, zal ik dat doen. Maar eerst moet mijn schorsing aan de universiteit ongedaan worden gemaakt’.

Maar helaas: wat zich niet in dat te grote hoofd op dat te kleine lichaampje bevindt, is de kennis dat jij over een hyperperfect gehoor beschikt. Je grijnst. Jij weet iets van hem dat niet mag zijn geweten. Je journalistieke voelsprieten tintelen.  Je observeert zijn wat hoekige figuur. Zijn huid creëert nog steeds damp. Er is hier iets niet pluis, denk je, als een detective in een stripverhaal.

‘Wanneer ben jij jarig?’ roept de Bidon vanuit de keuken.
‘28 december.’
‘De dag van de onnozele kinderen’, leest Matthijs Google voor.
‘Ja, ja.’ De façade van de dwerg vertoont barsten, er verschijnen groeven in zijn gelaat.
‘Ja, je naam staat erop, David’, zegt de Bidon met de bic in de hand. ‘Maar wat is nu eigenlijk je familienaam?’
‘Doe maar zonder familienaam.’
‘Geen sprake van. Iedereen staat met naam en toenaam op de kalender. Dat is overzichtelijker zo. Iedereen gelijk voor de wet in mijn administratie.’
‘Dat is de neurose van de Bobon’, fluistert Laura David bemoedigend toe.

De dwerg haalt even diep adem, houdt zijn adem drie tellen vast, en blaast dan langzaam uit. De familie gaapt hem aan met ogen vol vraagtekens.

‘Beloof je mij dat je niet zult lachen?’ vraagt David.
‘Oké’, zegt je moeder.
‘Beloofd’, zegt Matthijs.
‘Deal’, zegt Liesbeth.
‘Erewoord’, zegt de Bidon. David aarzelt, stamelt dan:

‘David… De Cabooter.’

Even blijft het stil. Dan ontaardt de familie synchroon in een schaterlach. Ook oom Patrick lacht, veel te luid en veel te hard, rolt over tafel van het lachen, klopt je amicaal als weleer op de rug, alsof je je net hebt verslikt. Zelfs Lorenzo is in een lachkramp geschoten. Wacht.

Wat?

Lorenzo is in een lachkramp geschoten.

Iedereen kijkt hem aan. Elke andere lach is uitgedoofd. Zelfs de rook om het hoofd van David De Cabooter is verdwenen. Vreemd. Het is stil.

Stil.
Alles is stil.
De wereld staat stil.
De wereld is Lorenzocentrisch.

Lorenzo lacht. En lacht. Lacht luider. Lacht harder. Zo hard als hij kan lacht hij, lacht hij na al die maanden waarin hij niets anders deed dan zwijgen en huilen, zwijgen en huilen, zwijgen en huilen. En huilen. Huilen. Huilen.
Hij huilde. Veel. Vaak. Dagelijks.
Tranen van zilt en porselein.
Tranen van gemis en verlangen naar iemand die hem ongelukkig maakte.
Maar dat kan je broer zich niet meer herinneren.

De familie slaat een arm om elkaars schouder. De Bidon, oom Patrick, je moeder, Liesbeth, Matthijs, Laura, David en jij vormen een beschermende kring rond Lorenzo, rond Lorenzo en Linda, de pop van porselein in wier omhelzing je broer zich nestelt als was ze zijn pacemaker.

Lorenzo’s gelach slaat om in gelach van onmacht, gelach van gehuil. Maar hij is geborgen, veilig in zijn cocon, de cocon van zijn naasten, de cocon van zij die het beste met hem voorhebben. Hij huilt, maar dat is niet erg. Jullie omhelzen elkaar, oprechter en tederder dan ooit. David en jij wisselen een blik van vergeving en respect uit. Oom Patrick, eensklaps nuchter, streelt Linda de pop deemoedig vaderlijk. Buiten dwarrelen de eerste sneeuwvlokken.

Ergens in de Ardennen trompt een olifant.

 

And so this is Christmas

War is over

And what have we done?

If you want it

Another year over

War is over

And a new one just begun

Now

– John Lennon

Published by

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *