Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 3

In haar hyperrealistische groene ogen zitten weemoed en nachtmerries verscholen

 

The mood is right
The spirit’s up
We’re here tonight
And that’s enough

 

Naar aloude familietraditie laat je de deurbel driemaal kort na elkaar rinkelen. Zo weet de Bidon dat er een bekend gezicht voor haar deur staat, en geen bedelaar, leurder, verkrachter, of erger nog: Hildegard de overbuurvrouw, die altijd nieuwsgierig is naar al wat beweegt in het leven van de Bidon, roddels en geldzaken het eerst.

Kerstmis is voor de overbuurvrouw de interessantste periode. De volledige stamboom van de Bidon komt op bezoek, iedereen heeft cadeaus mee en de kleinkinderen ontvangen hun jaarlijkse fooi. Voor je broer, je zus, je nicht en je neef is dat kerstgeld een leuk extraatje, voor jou is het een noodzakelijke bron van inkomsten. Je eigen boekhouder ben jij, en hij heeft je geadviseerd om zo spoedig mogelijk Win For Life te winnen.

Hoe dan ook: nog geen zes seconden nadat je de bel hebt laten rinkelen, komt de Bidon, negenentachtig jaar en nog gezwind als weleer, de deur openmaken. Ze sleurt je de gang in, zegt:

‘Zie nu, nu staat ze al door de gordijnen te kijken, die Hildegard. Het is niet te geloven. Dag jongen.’

Ze wijst met haar wijsvinger naar haar wang, om je aan te manen haar een kerstkus te geven. Dat doe je. Dan blijft ze even staan, bekijkt ze je van onder tot boven, zegt dan, met een weinig verhulde inherente scepsis:

‘Vind je je haar mooi zo?’
‘Hoezo?’ reageer je nietszeggend.
‘Het is zo lang en het staat zo omhoog. Je zou het zoals die presentator van tv moeten hebben. Hoe heet hij ook weer?’
‘Wie?’
‘Wel, van dat programma.’
‘Welk programma?’
‘Dat met die blokken.’
‘Blokken?’
‘Ja, dat is het.’
‘Bedoel je Ben Crabbé?’
‘Ja.’
‘Die is zo goed als kaal.’
‘Ja, en dan? Dat is toch proper en verzorgd?’
‘Ja, ja’, zucht je, en je wandelt de gang uit, de living in.

Je oom en je neef zitten naast elkaar in de sofa. Oom Patrick kijkt naar tv, naar een soap over enkele dichters met weinig talent. Matthijs daarentegen zit op zijn smartphone te tokkelen, speelt een of ander oud spelletje, iets uit zijn jeugd, Tetris of zo.

‘Hallo’, zeg je. Matthijs kijkt niet op. Oom Patrick zegt: ‘Stil, ik ben dat aan het volgen.’ Onwillekeurig denk je aan het lied Nu zijt wellekome, Jezus lieve Heer, maar jij bent Jezus niet. En evenmin Ben Crabbé. Je gaat tussen oom Patrick en Mathijs in de sofa zitten.

Op televisie zijn vijf personages heel onnatuurlijk naast elkaar gepositioneerd. Ze bevinden zich klaarblijkelijk op een soort zolder. Een vreemde conversatie ontspint zich:

‘Geen gezever, Mitchell. Hoe heet gij?’ vraagt een man die een hawaïhemd draagt.
‘Wel euh…’ zegt Mitchell, een kerel die er best keurig uitziet.
‘Hup, tempo!’
‘Belooft ge mij dat ge niet zult lachen?’
‘Oké’, zegt een aantrekkelijke vrouw. Jammer van die onflatterende gele blouse, denk je.
‘Beloofd’, zegt een man met een hoed en een babyblauwe polo in de stijl van Knokke-Le Zoute.
‘Deal’, zegt een frêle meisje in het wit.
‘Erewoord’, besluit het hawaïhemd. Mitchell aarzelt, stamelt dan:
‘Mitchell… De Neuker.’

Het blijft even stil. Dan ontaarden de personages synchroon in een schaterlach. Ook oom Patrick lacht, veel te luid en veel te hard, rolt over de sofa van het lachen, klopt je op de rug alsof je je net hebt verslikt. Zelfs Matthijs is in een lachkramp geschoten. Game over, lees je op zijn smartphonescherm.

‘Geniaal! Briljant! Waar haalt hij het?’ kirt oom Patrick. ‘Zoiets kan jij niet schrijven hé, Francesco?’
‘Ik maak dan ook geen televisieseries’, zeg je met een mengeling van melancholie en rede, maar oom Patrick reageert niet. Zijn vraag was retorisch. Hij schuddebuikt, neemt een slok van zijn glas alcoholvrij bier, verslikt zich wanneer de televisie plots zwart en klankloos wordt. Je klopt hem op de rug.

‘Hela, moeder, ik ben dat aan het volgen’, zegt hij tegen de Bidon, die de afstandsbediening in haar hand houdt als was het een leeggeschoten jachtgeweer.
‘Het is hier een familiefeest. Dan kijk je niet naar televisie, maar praat je met elkaar. En je kijkt al zeker niet naar een programma waar ze zulke lelijke woorden gebruiken. Die wil ik niet horen op Kerstmis.’
‘Anders wel?’ vraag je, maar je grap gaat teloor.
‘Waarover moeten we dan praten?’ zegt oom Patrick met een verongelijktheid die hem eensklaps zo’n vijfenvijftig jaar jonger maakt.
‘Over het leven.’
Oom Patrick en jij wisselen een korte blik uit. Jullie denken aan hetzelfde. Proberen dat elk ogenblikkelijk weer te vergeten.
‘En, Francesco, euh, alles goed?’
‘Ja, ja’, lieg je, zoals de conventie van die overbodige vraag voorschrijft.
‘Heb je al werk gevonden?’
‘Ik zoek niet echt naar werk, ik ben mijn carrière als podcaster aan het ontplooien.’
‘Op die manier’, zegt oom Patrick, de bruggepensioneerde kraanwerker, die jarenlang zo’n vijftig uur arbeid per week verrichtte en nu last heeft van drie hernia’s en een ingegroeide teennagel.

Dan rinkelt de deurbel driemaal kort na elkaar. Saved by the bell, denk je. De Bidon spoedt zich de gang in, opent de deur. ‘Bobon’, zingt een tweekoppig koor, en met driftige pasjes stormen Marie en Gaspar de gang in, alsof ze meedoen aan de Winkelkarquiz. ‘Niet lopen’, roept Liesbeth, de lerares Lichamelijke Opvoeding, haar tweeling toe.

Nog niet eens enkele ogenblikken later vliegen de kinderen Matthijs en oom Patrick om de hals. Jou bekijken ze als het Parochieblad dat toevallig nog in de living rondslingert. Wat heb je die twee toch misdaan? Ze kennen je naam niet eens. Van jou zouden ze je zelfs oom Frisco mogen noemen, en je denkt terug aan de spottende bijnaam die de een jaar oudere spelers uit je voetbalploegje je hadden toebedeeld, vele jaren terug. Wat zou je graag beroemd zijn, zodat ze op een dag jouw naam in de krant zouden lezen, en denken: verdorie, in die Francesco hebben we ons vergist. Hoewel: zou zulk schorem de krant wel lezen?

‘Dag jongen.’

Je schrikt. Je moeder staat voor je. ‘Hoe kom jij hier?’ zeg je in een reflex.
‘Met de auto. En met de sleutel van de voordeur. Dit huis is voor een derde mijn eigendom, weet je wel? Krijg ik geen kus? Je ziet er heel moe uit.’
‘Ik slaap al maanden heel slecht’, zeg je, en je zoent haar wang.
‘Oei. Maar je haar ligt goed. Ben je naar de kapper geweest?’ Smalltalk is toevallig een van je moeders specialiteiten.
‘Nee, ik knip mijn haar altijd zelf. Het is iets te kort. Maar kijk: een kapper knipt het ook altijd te kort. En dan kost het me 30 euro of zo. En dat vind ik het niet waard.’
‘Als je je studies had afgemaakt,’ mengt de Bidon zich in het gesprek, ‘dan had je wel geld om naar de kapper te gaan, dan was je haar tenminste kort en proper geweest, zoals dat van die ene.’
‘Van wie?’
‘Die zanger.’
‘Welke zanger?’
‘Die uit die groep.’
‘Welke groep?’
‘Die van dat liedje.’
‘Welk liedje?’
‘Dat over die sirene. Ik zou het duizend keer zeggen. Hoe heet die mens?’
‘Frank Vander linden van De Mens, bedoel je?’
‘Ja, die bedoel ik.’
‘Die is zo kaal als een ei.’
‘Ja, en dan? Dat is toch proper en verzorgd?’
‘Ja, ja’, zucht je, en je wandelt naar de keuken, op zoek naar alcohol. Maar de koelkast bevat louter frisdrank en alcoholvrij bier dat je toch niet lust.

‘Is er geen alcohol in huis dit jaar?’ vraag je aan de Bidon.
‘Zie, ik ben niet de enige die erover klaagt’, zegt oom Patrick.
‘Klaag niet zo’, zegt je moeder tegen haar broer. De Bidon negeert het gekibbel.
‘Ons Laura zorgt voor de wijn, de whiskey en de champagne dit jaar. Het is te zeggen: haar nieuwe vriend zorgt ervoor. Die stond erop dat zij de drank meebrachten en betaalden. Die vriend zal op een goed blaadje willen staan, zeker? Weet jij al iets meer over hem, Lorenzo?’
‘Ik weet evenveel als jullie’, zeg jij, gewend als je het bent om door de Bidon per abuis met de naam van je broer aangesproken te worden.
‘Ik ben toch eens benieuwd. Hopelijk is het een beetje een deftige jongen met een hoge positie.’

De minuten verstrijken. Je zit met je glas cola in de hand in de sofa. De bacardi denk je er wel bij. Marie en Gaspar dringen er bij hun oom Matthijs op aan om nog eens een leuk filmpje te laten zien. Je ziet je kans schoon. Jouw kans om oom Frisco te worden. Je haalt je smartphone boven.

‘Willen jullie eens een echt grappig filmpje zien?’
‘Ja!’ zegt de tweeling enthousiast.
‘Kom’, zeg je. Ook oom Patrick, Matthijs, Liesbeth kijken mee naar je smartphonescherm.

Je toont een filmpje van een klein jongetje dat met zijn driewieler van een helling rijdt, in de richting van een schansje. De helling is echter steiler dan gedacht, en het jongentje vliegt tegen een rotvaart met gespreide beentjes op en over het schansje, smakt dan met driewieler en al tegen de grond, als een kuikentje dat uit een blender valt. Niemand lacht. Marie en Gaspar krijgen de tranen in de ogen en worden vlug omhelsd door je moeder, hun tante Tina.

Dan rinkelt de deur weer driemaal na elkaar, slomer en trager dan de familieregels over de traditionele manier van aanbellen voorschrijven.

‘Dat zal Lorenzo zijn’, zegt de Bidon bezorgd. En inderdaad, een halve minuut later staat je broer in de living, met een cadeautje in de ene hand en een akelige porseleinen pop in de andere. Ze is zo groot als een pasgeboren kind. Haar donkerbruine krulharen vallen over haar Vermeerblauwe jurkje met witte franjes en haar lippen zijn getuit als was ze een femme fatale. In haar hyperrealistische groene ogen zitten weemoed en nachtmerries verscholen. Liesbeth slaakt een gil. Lorenzo doet alsof hij niets gehoord heeft.

‘Hoi’, zegt hij met de opgewektheid van iemand die op de dakrand van een wolkenkrabber staat.
‘Wat is dat?’ zegt Liesbeth, terwijl ze een paar passen naar achteren zet.
‘Dit is Linda.’
‘Wie?’
‘De pop van Mona en mij. Wij hebben haar geadopteerd. Hadden haar geadopteerd’, herstelt hij zich. Je broer stopt je zijn pakje in de hand en omhelst zijn porseleinen surrogaatbaby innig. Je merkt hoe oom Patrick je blik opzoekt, maar jij kijkt star naar het ongeopende cadeau.
‘Doe dat weg, voor de tweeling schrik krijgt.’
‘Linda is hier en blijft hier.’
‘Lorenzo!’ zegt Liesbeth met de vastberadenheid van een lerares die niet eens een klas achtjarigen de baas kan.
‘Geen ruzie op Kerstmis’, zegt de Bidon sereen, en iedereen gaat zitten en zwijgt stil. Ook Linda.

Dan hoor je een auto stoppen. Je moeder beweegt zich voorzichtig naar het raam, om van achter de gordijnen van de Bidon de eerste loerende blik te kunnen werpen op haar toekomstige schoonzoon. Je volgt haar voorbeeld en ziet hoe Hildegard aan de overkant van de straat dezelfde reflex als je moeder had.

Voor de deur van Hildegard staat een grote jeep geparkeerd. Je ziet hoe Laura uitstapt aan de passagierskant, de straatkant. Van haar nieuwe vriend is echter geen spoor. Je ziet haar naar de achterkant van de wagen stappen, ziet hoe ze de ene klapdeur van de koffer opent.

‘Ik zie hem niet’, zegt je moeder tegen zichzelf, terwijl de rest van de familie mee over haar schouder loert. Je zus en haar geliefde worden verborgen door de klapdeur.

Dan zie je Laura met een grote kartonnen doos in de hand tevoorschijn komen, klaar om de straat over te steken. Ze houdt de doos aan de zijkant vast, niet onderaan.

‘Pas op!’ hoor je een hysterische mannenstem krijsen, terwijl de bodem van de doos het onder het gewicht van kilo’s wijn, whiskey en champagne begeeft. De familie schrikt, het straatasfalt laaft zich een coma, maar jij, jij herkent die hysterische mannenstem van ergens.

‘Oh nee, al die dure drank! Waarom droeg ons Laura nu toch zo’n zware doos?’ vraagt je moeder zich hardop af.

Dan verschijnt een foeterende volwassen man met een kinderconfectiekostuum uit de H&M van achter de klapdeur.

‘Daarom dus’, hoor je je moeder brabbelen, net voor ze onder begeleiding van jouw geamuseerd gegrinnik het bewustzijn verliest.

 

The party’s on, the feeling’s here
That only comes this time of year
Simply having a wonderful Christmas time
Simply having a wonderful Christmas time

– Paul McCartney

Published by

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *