Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 2

Al wat verdwijnt keert op de een of andere manier ooit terug

 

What’s this? What’s this?
There’s something very wrong

 

Het is drie over zes wanneer je de winkelstraat bereikt. De kerstverlichting die om de zoveel meter van dak tot dak is gespannen, spreidt een deken van licht over het verlaten asfalt. De winkeliers hebben de rolluiken al naar beneden gelaten en de late kerstshoppers hebben zich inmiddels weer verscholen in de warmte van hun woonsten. Je bent teneinde raad en adem.

Halfweg in de straat zie je nog licht branden. Je zet het op een drafje. Enkele ogenblikken later strand je voor een kleine boetiek. Behoedzaam open je de deur van het winkeltje.

‘Goedenavond’, zegt een vrouwenstem die zich buiten je gezichtsveld bevindt. De stem is een sjaal om je hals bij vriesweer.

‘Goeiedag’, zeg je, en je zoekt de vrouw tussen de kekke kleding die haar boetiek vult. Wat Eden is voor christenen, is deze boetiek voor fans van Bon Iver.

Dan duikt de vrouwenstem van achter een kledingrek in volle gedaante op. Hertenogen en een herbergzame glimlach verwelkomen je. De vrouw lijkt wat op Emma Stone met donker haar. Ze draagt een bordeaux blouse, een zwarte pantalon en zwarte lakschoenen. For Emma, forever ago tolt plots door je hoofd. Je bent geen fan van Bon Iver. Je bent fan van Emma die vast niet Emma heet.

‘Wat kan ik voor je doen?’
‘Euh, bent u, euh, nog open?’
‘Zoals je ziet. Wij zijn geopend tot halfzeven.’
‘Ah. Dat is, euh, handig.’

Je bent van je à propos. Niet-Emma leidt je in bekoring. Je wordt snel verliefd als je in je dagelijkse leven weinig vriendelijke gezichten ziet.

‘Ik ben wat laat. Ik kom van de dokter, afijn, dat heeft geen belang. De winkels zijn toe en ik zoek nog een cadeau. Secret Santa morgen, weet je wel.’
‘En wat zoek je precies?’

Jou, ik zoek jou, denk je, maar je durft het niet te zeggen. Te flauw, te clichématig, zoiets werkt alleen in een kerstfilm. En je zou haar trouwens toch nooit aan het nieuwe lief van je zus geven. Je gedachtegang houdt geen steek.

‘Ik weet het eigenlijk niet. Het is nogal moeilijk. Het is een cadeau voor de nieuwe vriend van mijn zus.’
‘En wat voor iemand is hij?’
‘Ik weet het niet. We hebben hem eigenlijk nog nooit ontmoet. Morgen stelt ze hem voor aan de familie.’
‘Wat leuk’, zegt ze oprecht geïnteresseerd. Je vermoedt plots dat ze uitermate geschikt zou zijn voor een baan als vrijwilligster bij de Zelfmoordlijn.
‘Dus ja, ik zoek iets voor iemand die ik nog niet ken.’
‘Wat is het budget?’
‘25 euro.’
‘Oei.’ De verkoopster denkt even na.
‘Heb je niets voor dat budget?’ vraag je.
‘25 euro voor een goed kerstcadeau is moeilijk. De meeste kleding hier is duurder, weet je wel? Wij kunnen niet concurreren met de dumpingprijzen van grote ketens. Al onze kleren zijn handgemaakt in, euh, Lapland.’
‘Dat begrijp ik.’
‘Tenzij… Wacht.’

De verkoopster verdwijnt in een achterkamertje. Even later keert ze terug met een wollen kersttrui van de allerlelijkste soort. De hoofdkleur is felrood en op de borst is een groen elfenpakje gebreid waarvan de kraag overeenkomt met de kraag van de werkelijke trui, waardoor de illusie wordt gewekt dat de persoon die de trui aanheeft, eigenlijk het kerstelfje is.

‘Deze trui is nog van de collectie van vorig jaar. Het is de laatste. Vorig jaar kostte die 62 euro, maar omdat het de laatste is, wil ik ze je wel voor 25 euro geven. En weet je wat? Ik doe je er nog een paar rode kousen bovenop. 25 euro voor de trui en de kousen, wat denk je?’
‘Ik weet het niet.’
‘Dat is toch een fijn cadeau? Het is ludiek en uniek.’
‘Welke maat is de trui?’
‘Een large. Maar een wollen trui mag een beetje oversized zijn. Als je schoonbroer wat aan de slanke kant is, heeft dat nog een leuk effect. En als hij niet slank is, dan zal de trui goed passen.’
‘Je hebt gelijk. Maar hij zal wel slank zijn. Laura houdt niet van mannen met een maatje meer. Dankjewel. Dat is heel vriendelijk van je’, zeg je beduusd.
‘Welke maat kousen wil je?’
‘Euh.’
‘39-42 of 43-46?’
‘Geen idee. Doe maar 43-46.’
‘Prima. Zal ik ze mooi inpakken voor je?’
‘Oh, ja, dat zou heel lief zijn, ik kan dat niet zo goed.’
‘Een pakje of twee?’
‘Doe maar een. Je hebt vast al werk genoeg.’

De verkoopster pakt samen met de trui en de kousen ook jou in. Zachte rillingen glijden over je rug terwijl je in een totale staat van ontspanning haar handelingen volgt. Naast een vrouw als haar zou je maar wat graag elke nacht wakker liggen. Je overhandigt haar het geld en overwint dan je angst.

‘Mag ik je wat vragen?’ zeg je te zacht.
‘Vraag maar’, antwoordt ze nieuwsgierig.
‘Wel, euh, zou jij eventueel volgende week of zo iets willen gaan drinken of zo, samen? Nee zeker?’
De ogen van de vrouw glimlachen.
‘Integendeel. Met veel plezier zelfs. Lijkt me erg fijn. Zal ik je mijn nummer opschrijven?’
‘Graag’, zeg je, met de glimlach van een achtjarige die een groot cadeau mag openmaken. De verkoopster noteert haar telefoonnummer op een papiertje. Je haalt je smartphone boven, klaar om haar nummer meteen op te slaan. Het is twintig over zes. Nog steeds 3% batterij.

‘Wat ik je trouwens al de hele tijd wilde zeggen: prachtige jas heb je.’
‘Bedankt. Jij ook. Ik bedoel: jij bent ook heel erg mooi gekleed.’
‘Dankjewel. Hoe heet je eigenlijk?’
‘Juist, sorry, vergeten. Francesco. Francesco Saelens.’
‘Francesco? Mooie naam. Hij staat je.’
Je glimlacht als een achtjarige die twee grote cadeaus mag openmaken.
‘En jij? Hoe heet jij?’
‘Dat kan je lezen’, zegt ze speels, terwijl je het papiertje in ontvangst neemt.

Mona.

Het zweet breekt je uit. Mona.

Je frommelt het papiertje op en stopt het in je broekzak. Je graait het pak van de toonbank en haast je naar de deur. In de weerkaatsing van de etalage zie je Mona de wenkbrauwen fronsen.

‘Is er iets?’
‘Ik moet, euh, weg’, stamel je zonder om te kijken.
‘Je belt me toch?’ vraagt ze, maar jij verlaat de boetiek. Je hart bonst als een discotheek. Je stapt de verkeerde richting uit, weet links niet meer van rechts te onderscheiden, bent van de wereld weg. Al wat verdwijnt keert op de een of andere manier ooit terug. Karma als een boemerang.

Je weet jezelf pas te bedaren wanneer je een apotheek van wacht passeert. Je belt aan. Overhandigt de oude apotheker je twee voorschriften en vraagt ook nog iets tegen de hoofdpijn. Hij sloft weg als een archivaris, keert terug met twee doosjes, zegt:
‘Voor het slaapmiddel: begin met een halfje voor het slapengaan. Neem het wel pas vlak voor je naar bed gaat in. Anders kan je draaierig worden of hallucinaties zien. En de pijnstillers, ja, die ken je wel, zeker?’

Op straat is het nog kouder geworden. De apothekersklok geeft aan dat het nu drie minuten over zeven is en dat het tien graden onder nul is. De temperatuur lezen doet je het extra koud krijgen. Je wandelt stevig door. Je zinnen rillen. Gelukkig arriveren de bus en jij nu gelijktijdig aan de bushalte.

Een kwartier later open je de deur van het appartement. Je bent moe, hebt al weken niet meer deugddoend kunnen slapen, verlangt meer naar je bed dan naar wat ook. Je kleedt je meteen uit, schenkt jezelf een glas cola in, slikt ermee een volledige slaappil en twee pijnstillers in en voelt je haast ogenblikkelijk draaierig worden. Je laat het resterende halve glas cola achter, grist je smartphone mee van tafel en strompelt naar de slaapkamer. Het is niet eens halfacht en je ligt gelukzalig in bed. Je kijkt door het veluxraam naar de zwarte nacht en een lichtgevende pizza.

Een lichtgevende pizza?

Je probeert rechtop te zitten, beter te kijken naar de lichtbron. Een kolossale cirkel zigzagt door de lucht als een pingpongbal uit een oud arcadetoestel. Kleine lichtjes sieren de rand van de schotel als waren ze de korst van een pizza. Je zintuigen staan op scherp.

Een ufo!

Dit is je kans voor een grote scoop als journalist, besef je. Je hebt beeldmateriaal nodig.

Zo snel je kan raap je je smartphone van je nachtkastje. Je wil hem uit stand-by wekken, maar het scherm blijft zwart, je ziet er alleen maar de weerkaatsing van je frustratie in. Je herhaalt je poging, smeekt je smartphone om een teken van leven, maar tevergeefs. ‘Rotbatterij’, vloek je, schrei je, terwijl je de pizza door de lucht ziet stuiteren.

Je klautert het bed uit, struikelt meteen van duizeligheid, strompelt over de vloer naar je bureau, naar de oplader. Een heroïsche kruiptocht van je-weet-niet-hoeveel-seconden later steek je de lader in het stopcontact, plug je de adapter in je smartphone, schakel je die in.

De hemel is weer onaangeroerd zwart. Van de lichtgevende pizza is geen spoor meer. Je kleeft je gelaat tegen het veluxraam als was je een wanhopige kreeft in een restaurantaquarium. Je weet niet meer wat je net hebt gezien. Je weet niet meer wat te doen. Of toch. Slapen. Eindelijk. Eindelijk.

Je laat je achterovervallen op bed, sluit je ogen, tolt door de lucht als een lichtgevende Mona die een pizza van elfjes eet. Enkele ogenblikken later word je wakker. Je kijkt naar je smartphone. Het is 24 december en halfeen in de namiddag. Je batterij is voor 100% gevuld. Je hebt zeventien uur geslapen.

 

And there’s a smile on everyone
So, now, correct me if I’m wrong
This looks like fun
This looks like fun
Oh, could it be I got my wish?
What’s this?

– Danny Elfman

Published by

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *