Happy ending, of: een verhaal zonder einde

De legendarische Amerikaanse filmmaker Orson Welles poneerde ooit: “If you want a happy ending, that depends, of course, on where you stop your story.” Vrij vertaald: een vrolijk einde hangt af van het ogenblik waarop je het verhaal laat ophouden.

Als het leven van de Bimbam een verhaal was, stopte het op 26 augustus 2019 onherroepelijk. Geen happy ending. Maar waarom zou het daar stoppen? Kan haar leven geen verhaal worden? Een verhaal zonder einde?

1

Op 28 maart 2001 overlijdt den Bompa, Florent Van Puymbroeck, voor de Bimbam haar echtgenoot, de Florang, in zijn ziekbed thuis op de Poenjaard aan de gevolgen van longkanker. Hij is nog maar 68 jaar. Geen happy ending.

2

Op vrijdag 23 augustus 2019 zitten mijn vader en ik met de Bimbam te praten in haar kamer, kamer 7 op de palliatieve eenheid van AZ Nikolaas in Beveren. De drie aanwezigen, wij dus, hebben de hoop op een happy ending voor de Bimbam al een poos moeten laten varen. Na een comfortabele stilte vraag ik de Bimbam of ze eigenlijk gelooft in een hiernamaals. Ze twijfelt, zegt dan: “In de hemel kan er toch nooit plaats genoeg zijn voor alle doden?”

3

Ergens aan het einde van het eerste decennium van de 21e eeuw vertelt de Bimbam van een droom die ze de nacht voordien heeft beleefd. Ze droomde dat ze voor de hemelpoort stond. Achter de hemelpoort stond den Bompa. Toen hij haar zag, riep hij: “Pas op, ze is daar!” en hij ging lopen, zo ver hij kon. Een komisch einde.

4

Van 2011 tot 2019 is de Bimbam toeschouwer bij elke nieuwe toneelpremière van haar kleinzoon, theatermaker en schrijver Yannick Van Puymbroeck, ik dus. De stukken die ik maak, vindt ze veelal “te lang en te moeilijk”. Telkens weer adviseert ze mij “om eens een deurenklucht te maken, iets waarvan de mensen zich doodlachen.”

Ook al klinkt de doodlachdood als een komisch einde, toch ben ik blij dat ik nooit het risico heb genomen dat de toeschouwers zich zouden doodlachen. Ik heb de Bimbam nu al te kort gekend.

5

“In de hemel kan er toch nooit plaats genoeg zijn voor alle doden?”

Mijn vader vertelt zijn moeder dat het universum alsmaar uitdijt, dat dat oneindig is, dat dat onbevattelijk groot is. “Als de aarde een stofje in deze kamer is, dan is het heelal zeker zo groot als de kamer zelf”, zegt hij.

“Groter”, zeg ik.

“Zo groot als het volledige gebouw?” vraagt mijn vader.

“Zo groot als de volledige gemeente Beveren-Waas, denk ik”, zeg ik, en ik vergis me.

Als de aarde een stofje is, is het volledige universum groter dan de aarde, de zon, ons zonnestelsel, de Melkweg. Om maar te zeggen: in de ruimte is er plaats genoeg voor alle doden, zeker als je weet dat er in de hele mensheid nog maar 100 miljard mensen zijn gestorven.

Als 7,7 miljard mensen op een stofje kunnen wonen, kunnen 100 miljard mensen wel een betaalbare woonst vinden, ergens in dat kolossale heelal.

Veel mensen zouden een existentiële paniekaanval krijgen als ze die informatie zouden horen. Maar de Bimbam niet. Zij ziet plots toch weer een toekomst voorbij haar einde. Zij is nog niet voorbij.

6

Toen mijn vader en tante Danne nog naar school gingen, moesten de Bimbam en den Bompa uiteraard af en toe naar een oudercontact. Daar kregen de ouders van alle schoolkinderen van de leraars te horen hoe hun respectieve kind functioneerde op school.

Achteraf had de Bimbam steeds maar één retorische vraag voor haar kinderen: “Van alle moeders was ik toch de netste he?”

7

60 jaar van haar leven heeft de Bimbam de Allerheiligenperiode aan een kerkhof doorgebracht, tussen de bloemen, tussen de mensen. Ze was niet alleen een geboren verkoopster, maar ook een geboren psychologe. Mensen kwamen op de moeilijkste momenten in hun leven hun hart luchten bij de Bimbam. Met haar volkse wijsheid, levenslust en oprechte bekommernis slaagde ze er steeds in om mensen te troosten en moed in te spreken bij het verlies van een zeer dierbare.

Vandaag is een dag waarop wij allemaal zelfs nog meer dan ooit de Bimbam nodig hebben.

8

Op 20 januari 1989 wordt het derde en laatste kleinkind van Denise Buytaert en Florent Van Puymbroeck geboren. Het is de bedoeling dat hij hen respectievelijk bomma en bompa zal noemen. In zijn voor het overige best voorspoedige spraakontwikkeling vindt het kind het blijkbaar gemakkelijker om bomma uit te spreken als bimbam. En dat is dan maar zo gebleven.

Achteraf bekeken ben ik heel blij dat ik haar een naam ben beginnen te geven die geen enkele andere grootmoeder ooit heeft gekregen. Er zijn veel grootmoeders, er zijn veel oma’s, er zijn veel bomma’s, maar er is maar één Bimbam. De Bimbam.

9

In het eerste deel van haar Allerheiligencarrière verkoopt de Bimbam aan het kerkhof van Melsele chrysantenpotten voor het eigen familiebedrijf. In die periode worden de chrysanten – ‘de potten’, zoals de Bimbam ze noemt – voor zo’n 250 Belgische frank verkocht, omgerekend iets meer dan zes euro.

Van halfweg de jaren 90 tot 2018 staat de Bimbam potten en bloemstukken van haar zoon, mijn vader, te verkopen aan het kerkhof van Rupelmonde. De chrysantenpotten kosten dan zo’n 5 euro, omgerekend iets meer dan 200 Belgische frank.

Ik zou nu een vergelijking kunnen maken met de broodprijzen van toen en nu, iets zeggen over inflatie en dan tot de conclusie komen dat het zeer bizar is dat de prijs van de chrysantenpotten zelfs in absolute waarde gedaald is in vergelijking met 50 jaar geleden. Maar dat doe ik niet.

Wel zeg ik dat de evolutie van de chrysantenprijs omgekeerd evenredig loopt met de schoonheid van de Bimbam. Zij was vroeger de netste en is in de loop van de jaren, zelfs op hoge leeftijd, zelfs nóg netter geworden. Stop het verhaal daar en je krijgt een vrolijk einde.

Helaas.

10

Het is moeilijk om vandaag niet sentimenteel te worden, om niet uit te glijden over de vele tranen die vandaag al voor de Bimbam zijn gelaten en nog voor lange tijd zullen worden gelaten.

De Bimbam zelf was echter niet sentimenteel, veeleer het ‘positief denken / doe wel en zie niet om / er keihard tegenaan’-type, in alle omstandigheden.

Ik heb haar in heel mijn leven maar tweemaal weten huilen. Een keer in 2017 en een andere keer in 2018.

De eerste keer was op zaterdag 29 april 2017, op het grote familiefeest ter ere van haar 80e verjaardag. Ze huilde nadat mijn vader in zijn toespraak een kort herdenkingsmoment voor den Bompa inlaste. Nadat we allemaal Some Things Last a Long Time van Daniel Johnston hadden beluisterd, plengde de Bimbam enkele tranen toen ze iedereen aanmaande om goed te drinken, omdat den Bompa dat ook graag deed.

De laatste keer was in de nacht van vrijdag 16 op zaterdag 17 februari 2018, toen ik haar telefonisch moest vertellen dat mijn moeder Monique – haar ex-schoondochter, haar kapster, haar vriendin – onverwacht overleden was. “Zie, nu krijg ik het ook lastig, maar we hebben altijd goed overeengekomen”, zei ze tussen vele snikken door. Uit protest tegen het overlijden van mijn moeder besliste ze om haar haar niet meer bordeaux te laten verven, maar om het gewoon grijs te laten.

Als iemand de Bimbam vroeg waarom ze haar haar grijs liet, zei ze: “Mijne coiffeur is dood.” Met grappig zijn heeft de Bimbam nooit een probleem gehad.

11

Van 2008 tot 2018 hielp ik in de Allerheiligenperiode de Bimbam met de bloemenverkoop. Ik bewonderde haar onder meer voor haar smalltalk-talent. Ze slaagde erin om conversaties te vullen zonder inhoudelijk iets wezenlijks te zeggen. Haar catchphrase om een ongemakkelijke stilte op te vullen, was: “Ja, mor da schilt toch hé?”

Vertaald: “Ja, maar dat scheelt toch wat hé?”

Vrij vertaald: “Ik weet niet wat te zeggen, dus zeg ik dit maar.”

Het ergste was dat de meeste mensen “Ja, mor da schilt toch hé?” met “Ja, dat is waar” beantwoordden. Ik stond erbij, ik keek ernaar en begreep niets van de geavanceerde wetten van de smalltalk.

De beste Bimbamquote aan het kerkhof was die waarin ze bedenkingen uitte over het uiterlijk van een man die het nogal vaak aanlegt met andere vrouwen: “Als het nu nog een schoonheid was. Ik zou er nog niet eens met een tang naar pakken.”

Met grappig zijn heeft de Bimbam nooit een probleem gehad.

12

Als kind vroeg ik me af waarom orkanen altijd vrouwennamen krijgen. Toen zag ik de Bimbam en ik snapte het.

13

Op 13 februari 2019 zit de Bimbam op de eerste rij in de Arenbergschouwburg in Antwerpen bij de première van mijn solovoorstelling Don’t believe the hyperconscious mind. Tijdens de voorlaatste scène, de sleutelscène, hoor ik haar te luid tegen tante Danne fluisteren: “Duurt het nog lang?” – “Dat weet ik toch niet”, zegt tante Danne.

Als de Bimbam vandaag hier was – en dat is ze – zou ze tante Danne nu hetzelfde vragen. En tante Danne zou hetzelfde antwoorden.

14

Op dinsdag 27 augustus 2019 ontwaakt de Bimbam in een kamer in Motel Beveren. Ze voelt zich monter, vol energie, is helemaal uitgeslapen. Ze staat op, wast zich en kijkt in de spiegel naar haar verfomfaaide matgrijze kapsel. “Mijn haar trekt op niets”, zegt ze.

Dan wordt er op de deur geklopt. De Bimbam opent de deur van haar kamer en herkent haar privékapster van weleer. “Vooruit, Buytaert, was uw haar, zodat ik het kan verven en knippen.”

Twee uur, twee koffies en vier gebakjes later ziet de Bimbam zichzelf in de spiegel en ze herkent zich weer. Haar kapsel is bordeaux en hoog, haar ogen fonkelen van fierheid. Het is tijd om naar huis te gaan, denkt ze.

Een rode Opel Corsa met nummerplaat DUX-423 tuft in de richting van de Poenjaard. Een minzame man met de hem typerende zwarte pet op het hoofd staat op de uitkijk. Hij heeft een zelf gerolde sigaret tussen de lippen en houdt een halfvol flesje Jupiler in de handen. Hij ziet de rode Opel Corsa uit de verte naderen, roept: “Pas op, ze is daar!” en rent dan weg, zo snel hij kan.

Wanneer de Bimbam de oprit van Dweerse Kromstraat 1 oprijdt, moet ze vol in de remmen voor de partytent en de lange feesttafel die op den hof staat opgesteld. Ze stapt uit en roept: “Muttens, sissewies, seuvels, wat staat dat hier te doen?”

Even blijft het stil. Dan hoort ze, luid, enthousiast, uitgelaten, een koor van bekende stemmen: “Verrassing!” Van achter de partytent, uit de stal, uit de tuin, uit het huis, duiken keurig opgedirkte mensen op. Ze glimlachen breed en zingen Lang zal ze leven, tante Don.

Ze, dat zijn: Richard Van Broeck en Maria Van Puymbroeck (haar schoonbroer en schoonzus), Maria Maes (haar andere schoonzus), Maria Buytaert (haar zus), haar ouders, Frederik Buytaert en Delphine De Meulenaere (ons Del), haar schoonouders, burgemeester Jozef Van Puymbroeck en Céline Staes (pit Céline), Fons Pyl, Cyriel Van de Vyver en Alphonsine, en nog vele, vele anderen. Niemand heeft door dat Fons Van Puymbroeck op zijn handen over het dak aan het lopen is.

En dan ziet de Bimbam tussen het volk de liefde van haar leven staan: de Florang. Ze stapt naar hem toe en trekt hem passioneel tegen haar gilet. Er weerklinkt muziek: Buona Sera van Louis Prima. De Bimbam en den Bompa beginnen uitbundig te dansen, zoals ze dat vroeger zo vaak deden op dat nummer. Den Bompa slaat met grote gebaren op het zitvlak van de Bimbam en iedereen lacht omdat ze zich die beweging herinneren. Er wordt gelachen, gedronken, veel gedronken, veel gegeten, hotdogs, nasi goreng, om ter meeste kroketten, en de Bimbam wint bijna. Iedereen is blij, iedereen is gelukkig.

Voor ze na achttien jaar voor het eerst weer samen het bed delen, zegt den Bompa tegen de Bimbam: “Ik ben blij dat ge weer thuis zijt.”

De Bimbam zegt: “Van alle vrouwen was ik toch de netste.”

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *