Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 7

Zijn charme twinkelt in zijn heterochrome ogen

 

Come they told me pa-rum-pum-pum-pum
A newborn king to see pa-rum-pum-pum-pum

 

Plots overstemt een sonoor, soporeus gezoem je monoloog.

Al gauw dwaalt er rumoer door de gang. Vertraagde voetstappen haasten zich naar buiten. Er is geen paniek. Louter verwondering.

Een deur gaat open. De man die je ontving aan de balie, wenkt jullie het kantoor uit. Hij zegt, met angst en fascinatie in zijn blik: ‘Kom kijken, buiten, vlug.’

De agent en jij wandelen het kantoor uit, volgen de baliebediende de straat op. Daar staan alle agenten van wacht met hun blik gefixeerd op de lucht en de nacht. Ook jij kijkt omhoog, knippert, sluit je ogen, ziet je oogleden oplichten, opent je ogen dan opnieuw. Je gedijt in het gezoem.

Laag boven de straat zweeft een kolossale cirkel van licht. De boord van de cirkel is bezet met glimmende, glanzende parels van neon. Het luchttuig deint in de lucht, zuigt zacht zoemend de beweging en onrust uit de lichamen en geesten van de agenten, als was het een transcendentale stofzuiger. Ook jij voelt je kalm, kalmer dan weleer, kalmer dan ooit.

Je kijkt om je heen. De agenten zijn stil, roerloos, gekristalliseerd. De cirkel is een bron, straalt een diffuus lichtdoek uit dat de stad en de perceptie omzwachtelt.

De nacht klaart sferisch op door een ufo van blacklight. Je voelt hoe een trechter het gezoem uit de lucht puurt, hoe er enkele ogenblikken later louter absolute stilte te horen valt. De geruisloosheid benauwt en vermoeit je. Je oogleden torsen het gewicht van je gemoed.

Dan glijdt de ufo zachtjes voorwaarts. De agenten zijn tot menhirs verworden. Je volgt de beweging van de ufo niet. Je draait je om. Meteen schiet de ufo eensklaps vele decameters, hectometers, kilometers, lichtjaren omhoog, tot hij niet meer dan een stip, een fonkeling is in de laaghangende zwarte nacht.

Je stapt in de tegenovergestelde richting van waar de ufo heen ging. Je haalt je smartphone uit je binnenzak. Het is 3.03 uur. Nog 55% batterij. Maar nog steeds geen netwerk. Zo kan het niet langer.

Je begint te rennen, op zoek naar een referentiepunt, iemand die je de weg kan uitleggen, of iemand die je de weg kan tonen, de postduif van de krantenwinkel in de buurt of zo. Je rent van hot naar her, in paniek, kijkt af en toe naar boven, naar de ster die jij als ufo hebt ontmaskerd, maar die ster geeft geen krimp, die houdt zich koest. Je hebt geen telescoop nodig om dat te zien.

Je bent zo moe, hebt zo’n dorst.

Je adem verzwaart jou.

Je passen worden drassiger.

Je leeft van fragment tot fragment.

Van nergens tot elders.

Tot je plots weer dezelfde ufo als voordien laag boven de stad ziet zweven. Hij knippert, vangt je in een lichtbundel, wil je ergens heen leiden. Deze keer volg je het luchttuig gedwee. Bij gebrek aan mensen of functionerende navigatieapps is de ufo je enige kompas, je enige ticket naar huis.

Met hernieuwde krachten zet je de tocht verder. De wandeltocht is bar en kil, maar je beschikt over nieuwe energie. Af en toe tref je een ongeopend blikje Cola voor je aan, soms zelfs een Cola Life, vind je een reep Côte d’Or met melkchocolade of een pak frietjes met twee frikandellen, warm en dampig, alsof ze net zijn gebakken. Ze geven je moed, kracht en sterkte om je tocht verder te zetten.

Na je-weet-niet-precies-hoe-lang beland je eindelijk in de ellenlange Rupelmondsesteenweg. De ufo houdt halt boven een appartement. Nummer 1989. Jouw appartement. Appartement B201. Eindelijk.

Je haalt je sleutels uit je binnenzak, opent er de voordeur van het gebouw mee. Dan draai je je weer om, kijkt omhoog, naar de ufo, en zwaait naar de piloot en zijn of haar bemanning.

‘Bedankt, vrienden, bedankt voor alles!’ roep je. In een nanoseconde rijst de ufo weer omhoog, om incognito in de lucht te vertoeven. Je hebt ze wel door, denk je.

Je sluit de deur achter je, stapt de gemeenschappelijke trap op, de trap die naar je appartement op de eerste verdieping leidt. Maar voor je eigen voordeur sta jij. Een aantrekkelijke man met warrig donkerbruin haar, een snor en lange bakkebaarden, die een panterjas over een strak zwart pak draagt, met daaronder een zwartwit bolletjeshemd dat volledig is toegeknoopt. De man draagt geen das, maar wel een glimmend paar vrouwenlaarzen met maat 40,5 uit Zara. Jouw laarzen.

Dat ben jij. Dat ben jij. Toch?

‘Eindelijk’, zeg ik.
‘Wat?’ vraag je verbouwereerd.
‘Je weet niet hoe lang ik hier al sta te wachten, zeker? Ik had me mijn kerstnacht helemaal anders voorgesteld.’
‘Wie het zegt’, zeg je. ‘Wat doe jij hier?’
‘‘Wie ben je?’ zou een betere vraag zijn, vind je ook niet?’ zeg ik met milde pedanterie.
‘Wie ben je?’ vraag je. Je bent te moe voor dit soort gesprekken.
‘Je kent me wel.’
‘Nee, toch niet. Of toch: ben ik het zelf?’
‘Wat? Nee, ik ben niet jou. Laat daar geen misverstanden over bestaan. Hoe kan ik nu jou zijn?’
‘We lijken toch op elkaar?’
‘Dat is waar. En dat is een compliment, toch?’
‘Een compliment voor ons allebei hé?’
‘Zeker.’
‘Oké, dan zijn we het daarover al eens. Zeg je me nu wie je bent?’

Ik leun nonchalant tegen zijn voordeur en zucht diep. Ik had gehoopt dat hij wat vlugger van begrip was. Na achtentwintig jaar vind ik het nog steeds vreselijk dat sommige mensen zo traag van begrip kunnen zijn. Zelfs mensen in wie ik zoveel tijd heb geïnvesteerd. En dan blijf ik nog beleefd. Hoe vreselijk is het dat iedereen zoveel dommer is dan ik? Soit.

‘Ik ben Yannick Van Puymbroeck.’ Om mijn pose wat meer allure te geven, zet ik mijn zonnebril op.

Je had het moeten weten. Yannick Van Puymbroeck. Yannick Van Puymbroeck zelf.

‘Het spijt me, meneer Van Puymbroeck. Ik had u niet herkend.’
‘Het is niets, jongen. En zeg maar Yannick. Op z’n Frans. Met de klemtoon op de i.’
‘Oké, bedankt, Yannick. En zeg jij dan maar Francesco.’
‘Dat was ik sowieso van plan, jongen, geen nood.’
‘Ik ben een grote fan van uw werk. Zoals van uw fictieserie, hoe heet ze ook weer?’
‘Bedoel je Misantropica? Bedankt, maar dat was maar niets. Een vingeroefening. Een leerschool. Spielerei. Had veel absurder en filosofischer gemoeten. Los van de beeldvoering was alles zo… gewoon. En dat associeer je toch niet met mij, toch?’
‘Nee hoor, helemaal niet. Maar toch: ik vond het soms best wel grappig. Mitchell De Neuker en zo.’
‘Ja, dat was misschien een beetje grappig. Maar niet slim.’
‘En De wedergeboorten vond ik ook erg goed.’
‘Vond je? Dat is fijn, maar ook dat was niet gewaagd genoeg. Dat was een groot compromis. Een proces van doffe ellende. Toen ben ik mezelf echt tegengekomen, en ik zeg het je: als ik mezelf niet ben, dan schiet er nog maar weinig van me over. Geen charisma, geen mysterie, geen gezag, geen visie, geen overredingskracht, niets. Dan verzwelg ik in lange uiteenzettingen die nergens heen leiden, die in het beste geval de sfeer niet erger maken. Tsjah. Er is te veel geïmproviseerd. Op papier was het een listig en prachtig stuk. Had echt wat kunnen zijn. Jammer dat de regisseur onderweg noodgedwongen iemand anders moest worden. Achteraf denk ik: beter geen stuk dan een stuk dat niet van jou is. Maar ach: zoals bijna steeds is een geboorte beter dan een wedergeboorte. Bijna steeds.’
‘Maar Frank Vander linden en Eva deden dat toch goed? En de muziek was prachtig.’
‘Dat zeker’, zeg ik naar waarheid, zonder hem te corrigeren.
‘Wanneer maakt u nog iets nieuws?’
‘Binnenkort. En volgend jaar maak ik veel. Solovoorstellingen. Webserie. En eindelijk een roman, een echte, een zonder weerga. Het wordt tijd dat mijn brede omgeving mij eens au sérieux neemt, dat ze me met Kerstmis geen schouderklopjes geven en woorden van hoop moeten toefluisteren, maar dat ze wel hardop woorden kunnen uitspreken van lof en trots om wie ik ben en wat ik doe. Ik ben niet trouw genoeg aan mezelf. Maar daar komt vanaf nu verandering. Definitief. Geen weg terug. Nu.’

Ik strijk als een diva door mijn golvende kuif en coiffure om mijn statement te illustreren. Dan haal ik even mijn smartphone boven, om te kijken hoe laat het is. Het is halfvijf in de ochtend van Kerstmis.

‘Maar wat staan wij hier te zwammen?’ zeg ik. ‘Daarover wilde ik het helemaal niet met je hebben. Maar goed. Het is nu zo. Gedane zaken et cetera. Ik kom je tot de orde roepen.’
‘Waarover?’
‘Allereerst: vijf jaar geleden heb jij in mijn straat een huis laten uitbranden. Al mijn personages weg. Ik ben moeten verhuizen uit het Prinsenhof. En ik woonde daar nog zo graag.’
‘Het spijt me. Maar ik heb toch de hulpdiensten verwittigd?’
‘In een livereportage voor een studentenradio. Denk je dat ze daarnaar luisteren in de brandweerkazerne?’
‘Het zal me nooit meer overkomen. Maar de reportage was toch goed?’
‘Een reportage is maar zo goed als haar luisteraantallen.’
‘Wat commercieel van u.’
‘Waar staat je carrière nu in vergelijking met vijf jaar geleden?’
‘U hebt gelijk, meneer Van Puymbroeck. Ik zal eraan werken. Beloofd.’
‘Het is je geraden. Maar dat is nog niet alles.’
‘Oei?’
‘Ik ben niet tevreden met je gedrag van de afgelopen maanden. Als je vindt dat iemand niet goed genoeg is om het lief van je broer te zijn, praat dan met hem, in plaats van, euh, gekke dingen te doen. En doordat we fysiek nogal op elkaar gelijken, zijn er mensen die denken dat we karakterieel ook gelijkaardig zijn. En dat is verre van het geval, Francesco. Ik ben nooit gepest, ik zou nooit iemand uitlachen om zijn lengte en als ik verliefd ben op iemand, dan zeg ik haar dat meteen, hoe ze ook heet. En bovenal: ik hou zielsveel van mijn familie, ik vind de jaarlijkse viering op Kerstavond elk jaar de fijnste dag van het jaar. Maar ja, los daarvan, je weet hoe dat gaat: lezers willen zich altijd herkennen in de fictie van schrijvers die ze persoonlijk kennen.’
‘Ja, dat is waar’, zeg je.
‘Al ben ik wel blij dat je in de kerk die onzin over lengteverschillen tussen mannen en vrouwen uit de wereld hebt geholpen. Niet dat ik er zelf nood aan had, maar toch: ik waardeer het gebaar. Je begint je leven in eigen handen te nemen, je bent niet meer jaloers op anderen hun geluk, maar bent bereid om voor jezelf je geluk te creëren. Dat siert je, maar het is ook noodzakelijk. Want: dit is je laatste kans, Francesco.’

Je kijkt me nieuwsgierig en hoopvol aan.

‘Vooruit, laat me even binnen in je appartement. Er staat daar nog een halve beker Cola en die moet nog worden opgedronken. Ik kan niet tegen colaverspilling.’
‘Zoals u wil, meneer Van Puymbroeck.’

Je opent de deur van het appartement, ik volg je. Ik ga zitten aan tafel. Zie hoe je de lauwe beker cola van gisteren leegdrinkt. Vraag dan: ‘Krijg ik ook een glas, Francesco?’

‘Welke wil u, meneer, euh, Yannick?’ vraag je.
‘Doe maar Life. Heb je Cola Life?’
‘Sorry.’
‘Nee? Maar allez. Dat is de beste. En het is Kerstmis. Wat heb je?’
‘Gewone Cola en Cola Zero.’
‘Vooruit dan: een gewone cola. Niet goed voor mijn marathoncalorieën, maar die loop ik er dan wel af.’

Je geeft me een fris blikje Cola. Ik drink het met veel genot leeg.

‘Er gaat niets boven een fris blikje Cola, vind je ook niet, Francesco?’
‘Dat is waar, Yannick, dat is waar.’

Ik sta op, kijk weer op mijn smartphone. De tijd dringt.

‘Ben je klaar, Francesco?’
‘Ja.’
‘Pak dan je spullen in. Neem je gerief maar mee. Laptop, oplader, kleren, ondergoed, schoenen, pennen, tandenborstel, scheerapparaat, smartphone, dictafoon, camera, microfoon, noem maar op. Je gaat op reis. Ik heb een opdracht voor je. Betaald.’
‘Oh?’
‘Ik vertel het je later wel.’

Zo vlug je kan raap je alles bij elkaar wat je dierbaar is. Je favoriete broeken, kousen, boxershorts, truien, enkele laarzen en brogues uit je collectie schoenen, dan moet je essentiële gerief er nog bij, je tandenborstel, scheerapparaat, medicijnen, föhn, gel, wax, lak, haarspray, volumemousse, shampoo, douchegel, badjas, noem maar op.

Na een halfuur van twijfelen en inpakken heb je uiteindelijk je spullen in een grote koffer, een trolley, een ruime rugzak en een schoudertas weten te persen en proppen. Comfortabel is anders.

‘Klaar’, zeg je.
‘Prima’, zeg ik.

Dan wordt er aan de deur gebeld. Niet eenmaal, niet tweemaal, maar driemaal. Je schrikt. Wie zou dat zijn? Je zegt ‘Kom binnen!’ door de intercom, buzzt de bezoeker dan het gebouw binnen. Zou het je moeder zijn?

Je hoort voetstappen op de trap. Voetstappen voor de deur. De bezoeker laat de bel voor de deur van jouw appartement rinkelen.

Je beweegt je naar de deur, nog steeds strak in je zwarte pak, en opent ze. Dan valt je mond vol verwondering open. Je weet niet wat te zeggen tegen de bezoeker die je wel kent, maar nog nooit eerder hebt ontmoet. Hij is groot, slank, charismatisch, een en al klasse en grandeur, heeft geprononceerde jukbeenderen en een zilvergrijs kapsel dat los omhoog staat. Zijn charme twinkelt in zijn heterochrome ogen.

‘Hallo,’ zegt de man, terwijl hij je appartement betreedt. ‘Ben jij de nieuwe butler?’
‘Wel, het is al lang geleden dat ik de nieuwe eender wat was.’
‘Ik ben David Bowie. Ik verblijf hier nog maar net. Maar voor even.’
‘Hallo,’ stamel je, ‘ik ben Francesco Saelens. Ik ben een grote fan van uw werk.’
‘Bedankt. Dat betekent veel voor me’, zegt David Bowie met de hem typerende glimlach.

Ik wist dat dit ging gebeuren, maar uiteraard wil ik ook zelf deze kans niet aan mij voorbij laten gaan.

‘Dag meneer Bowie. Ik ben ook een grote fan van u. Ook van uw werk als acteur, trouwens. Merry Christmas Mr. Lawrence, prachtige film.’
‘Bedankt, dat betekent werkelijk heel veel voor me. Het blijft hartverwarmend om zoiets te horen.’
‘Ik heb uw werk leren kennen door mijn vader Dirk. Die is pas echt fan. Die heeft al uw platen, hij beluistert ze dagelijks. Hij heeft u tweemaal live gezien in de jaren 80. Het was mijn droom om ooit samen met hem naar een concert van u te gaan, maar helaas… U bent veel te vroeg gestorven.’
‘Ik vind het ook jammer. Ik had nog zoveel willen doen. Maar kijk: die ziekte heeft me toch weer mijn jukbeenderen teruggegeven, haha. Maar, jongens: ik denk dat het tijd is.’

Een sonoor, soporeus gezoem weerklinkt van nabij. Het gezoem van de ufo.

‘Zijn we weg, Francesco?’
‘Waar gaan we naartoe, meneer Bowie?’
‘Yannick heeft ervoor gezorgd dat jij me een jaar mag volgen in mijn nieuwe habitat, zodat je een uitgebreide reportage of documentaire of boek of podcast kan maken over mijn leven daar. Wat je maar wil. Zie je dat zitten?’

Even weet je niet wat zeggen. Niet omdat je twijfelt. Wel omdat het geluk je nog nooit zo in de schoot is geworpen. Dit is je grote kans. Dit is een kans om je talent te bewijzen. Met het resultaat van je verblijf van een jaar bij David Bowie zal je vast kunnen doorbreken in de journalistieke of artistieke wereld.

‘Natuurlijk zie ik dat zitten. Dank u, meneer Bowie, dank u.’
‘Zullen we?’ vraagt David Bowie.
‘Wacht.’

David Bowie en jij kijken me verbaasd aan. Ik twijfel, stel uiteindelijk dan toch de vraag.

‘Hebt u nog heel even?’
‘Goh, misschien? Waarom?’
‘Zou u… Zou u nog even willen blijven en een lied willen brengen? Alstublieft?’

Bowie twijfelt even, kijkt door het raam, dan weer naar binnen, en zegt tenslotte joviaal: ‘Maar natuurlijk wil ik dat. Met veel plezier, zelfs.’
‘En zou ik… Zou ik mijn vader mogen uitnodigen? Ik wil dit moment zo graag beleven.’
‘Een superfan als hij mag natuurlijk niet ontbreken’, zegt David Bowie minzaam. ‘Bel hem maar. Zeg hem dat hij zich moet haasten.’
‘Dat zal hij wel doen, geloof me.’

Ik bel de papa op, vertel hem vlug de situatie. Nog geen vijf minuten later bevindt hij zich in het appartement van Francesco. Hij is verlegener dan ik hem ooit heb gezien. Hij schudt Bowie de hand, wisselt enkele stotterende woorden van lof met hem uit, gaat dan met een stralende glimlach naast me zitten. Hij ziet mijn blikje gewone cola staan.

‘Gewone Cola? Dat is niet goed voor je marathontraining hé.’
‘Het is voor een speciale gelegenheid hé, papa. Ik loop de calorieën er wel af.’
‘Je hebt gelijk.’
‘Wil jij iets drinken? Dobbel Palm of zo?’
‘Ah ja, graag. Bedankt.’

Ik haal een flesje Dobbel Palm uit je koelkast en schenk het in een van je Palmglazen in. Al een geluk dat je dat toevallig in huis had gehaald voor onverwacht bezoek, denk je.

Dan is het moment gekomen. We gaan zitten, vol spanning en nervositeit. Bowie neemt plaats achter het keyboard dat hem vijf minuten eerder door het raam is aangereikt.

‘Het is Kerstmis, en op Kerstmis speel ik altijd graag het volgende lied. Ik heb het oorspronkelijk samen met Bing Crosby opgenomen. Het gaat als volgt.

Come they told me pa-rum-pum-pum-pum
A newborn king to see pa-rum-pum-pum-pum
Our finest gifts we bring pa-rum-pum-pum-pum
Rum-pum-pum-pum, Rum-pum-pum-pum

Peace on Earth, can it be?
(Come they told me pa-rum-pum-pum-pum)
Years from now, perhaps we’ll see?
(A newborn king to see pa-rum-pum-pum-pum)
See the day of glory
(Our finest gift we bring pa-rum-pum-pum-pum)
See the day, when men of good will
(To lay before the king pa-rum-pum-pum-pum)
Live in peace, live in peace again
(Rum-pum-pum-pum, Rum-pum-pum-pum)
Peace on Earth
(So to honour him pa-rum-pum-pum-pum)
Can it be
(When we come)

Every child must be made aware
Every child must be made to care
Care enough for his fellow man
To give all the love that he can

I pray my wish will come true
(Little baby pa-rum-pum-pum-pum)
For my child and your child too
(I stood beside him there pa-rum-pum-pum-pum)
He’ll see the day of glory
(I played my drum for him pa-rum-pum-pum-pum)
See the day when men of good will
(I played my best for him pa-rum-pum-pum-pum)
Live in peace, live in peace again
(Rum-pum-pum-pum, rum-pum-pum-pum)
Peace on Earth
(Me and my drum)
Can it be?

Can it be?

Jij, de papa en ik applaudisseren uitzinnig, diep ontroerd en gelukkig. Bowie maakt een elegante buiging met zijn hoofd.

‘We hebben nog wel even tijd, denk ik. Hebben jullie verzoeknummers?’
Sound and Vision, Rock ‘n Roll Suicide, Warszawa, goh, zo veel’, zegt de papa meteen.
‘Tegelijk kan ik ze niet spelen, maar een per een, dat moet wel lukken, denk ik’, zegt Bowie schalks.

Hij lacht. Jij lacht. Ik lach. De papa lacht. Dan zegt hij hardop tegen mij:
‘Wel, knol, dat heb je knap geregeld. Dit is de mooiste Kerstmis van mijn leven. De mooiste dag van mijn leven. Ik ben trots op jou.’

Bowie hoort het, knipoogt naar mij, naar mijn vader, naar Francesco, met een blik van dat uiteindelijk alles goed komt, zolang je maar blijft geloven in wie je bent en wat je wilt.

Dan zet hij de eerste noten van Sound and Vision in.

 

Einde

Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 6

We leven nog en dat is het belangrijkste

 

Where is Mona?
She’s long gone

 

Het is halftwee in de nacht. Je breekt je wandeling af op de hoek van een grote maar verlaten straat. Aan de overkant brandt er nog helder licht, zie je nog beweging, beweging van mensen. Een goed referentiepunt, denk je. Je kijkt immers niet op een woonhuis uit, maar wel op een nachtwinkel, een winkel waarvan de conventionele openingsuren overeenstemmen met de sluitingsuren van alle andere. Sommige mensen vinden nachtwinkels marginaal, jij noemt ze visionair, de supermarkten van de 21e eeuw. Welke verlichte geest leeft immers nog steeds in dat stramien van het 9-tot-5-dogma? Hoe absurd is het dat er op dit uur geen bussen of treinen meer rijden? De tijd staat niet stil, zegt het cliché, maar mobiliteitsbeleidsbepalers weten dat met sprekend gemak te doorprikken. Voor hen staat de tijd al zo’n veertig, vijftig jaar stil.

De opkalefatering van bussen, wagons of perrons maakt het openbaar vervoer niet moderner, een dienstverlening die zich aanpast aan de samenleving wel. We leven in een wereld waarin – in tegenstelling tot zo’n veertig, vijftig jaar geleden – na 17 uur niet meer louter de brievenbus open is. Met dank aan het internet en de mobiele telefonie zijn we elke seconde van elke dag voor alles en iedereen bereikbaar en vice versa, 86 400 seconden per dag, meer dan 31,5 miljoen seconden per jaar. Maar de flexibiliteit die communicatie en werkuren ons bieden, die reikt het openbaar vervoer niet aan. Als je in het donker ergens wil raken zonder fiets of wagen, moet je steenrijk zijn of bereid zijn om je laatste briefje van twintig euro aan de taxi te besteden.

Je haalt je smartphone uit het door Laura gehaakte hoesje. Dat hoesje zorgt ervoor dat de batterij van je smartphone bij vriesweer geen vrije val meer maakt. Je kijkt naar het icoontje. Haast helemaal groen is het. Nog 89% batterij heb je. Meer dan voldoende, denk je.

Je belt de taxidienst. Stelt je voor als Francesco Saelens. Vraagt om een taxi op de hoek aan het begin van de Nazarethsesteenweg. Pal tegenover de nachtwinkel. Nummer 3. Over een kwartier oké? Ja, oké.

Het is koud en dat is een parabool. Het is veertien graden onder nul. Je rilt, tolt wat rondjes, beweegt wat heen en weer als een ijsbeer. Hoewel: op de noordpool is het nu vast warmer dan hier. Gelukkig isoleert je panterjas best goed.

Je hoort twee dronken lieden de nachtwinkel verlaten. De lallende stemmen herken je van ergens. Dan hoor je hoe ze jou opmerken. Van achteren bekeken ben jij voor hen een silhouet van 161,5 cm, 54 kg met halflang, donker, warrig haar, met slanke benen in superstrakke kostuumpantalon en met glimmende laarzen die je met je schoenmaat 40,5 in de vrouwensectie van Zara hebt kunnen aanschaffen. Zij zien je niet als een trashy dandy, maar als een gestileerde vrouw van woeste zeden in winterse oorlogstenue.

‘Hey.’
Ze fluiten. Roepen dan:

‘Bunga bunga.’
Je kijkt niet op. Geen reactie. Je blijft een silhouet, een schim, geen man, wel een mysterie.

‘Hoeveel moet het kosten? Toon ons die D-cup eens?’

Je draait je om. Ze zien een vrouw met een dikke snor, dikkere bakkebaarden, zonder ook maar iets dat op borsten lijkt. Dat je ooit jarenlang als kind op de bank zat in hun voetbalploeg, zijn ze helemaal vergeten.

‘Hoeveel moet het kosten, freak?’
Tegen intoxicatie valt er met rede niets te beginnen. Je gaat mee in de waan.
‘200 euro’, roep je.
‘Heb jij nog 160 euro?’ vraagt de centrumspits aan de vleugelaanvaller.
‘Ik heb niets meer’, zegt die.
‘Dju.’

Het schorem waadt door de sneeuw, onderweg naar waar de kerstnacht en de veel te dure fles rum hen brengt. Je tolt om de koude en de verveling te bestrijden wat rondjes in de sneeuw, schrikt dan plots op door een gerucht. Je kijkt achter je, ziet niets, maar lijkt adem te horen. Het gevoel dat je bespied wordt, bekruipt je. Je probeert het te vergeten, neuriet het eerste lied dat in je opkomt. Fifteen Feet of Pure White Snow van Nick Cave weet je gedachten af te leiden. Je herhaalt het tot je de koplampen van een vervaarlijk slingerende taxi in het sneeuwlandschap weet te ontwaren. De taxi stopt. Het raampje gaat open.

‘Saelens?’
‘Ja.’
‘Stap in.’

Je kruipt op de achterbank. Begroet de chauffeur vriendelijk, geeft het adres van je appartement op. De man monstert je in zijn achteruitkijkspiegel, zijn ogen zijn wijd gesperd, hij ziet eruit alsof hij al menig etmaal onafgebroken achter het stuur zit. Hij begint te rijden zonder op de baan te letten.

‘Jij lijkt op die ene’, zegt hij na een poos.
‘Dat kan.’
‘Die ene van tv, die van die serie, hoe heet hij ook weer?’
‘Ik weet niet wie je bedoelt.’
‘Hij had dit jaar ook een nieuw toneelstuk uit. Frank Vander linden speelde erin mee. Met een Hollands accent.’
‘Ik weet echt niet wie je bedoelt.’
‘Vooruit, die schrijver van die serie. Met die dichters. Hoe heet hij ook weer?’
‘Pas op!’

Je schreeuwt. Ziet plots een veel te hoge vluchtheuvel opdoemen. De wagen keilt er met een luide bons tegen een te hoge snelheid overheen. De chauffeur glimlacht. Zijn geest is moe en troebel.

‘Geen paniek’, zegt hij laconiek. Dan ziet hij het licht.
‘Yannick. Zo heet hij. Yannick Van Puymbroeck. Van die serie met die dichters.’
‘Oh, is dat van hem?’ reageer je nietszeggend.
‘Je lijkt wel een kloon van hem.’
‘Toch ben ik het niet’, zeg je.
‘Spijtig. Anders kreeg je B.V.-korting, haha.’

De taxichauffeur rijdt door de slapende, sneeuwwitte stad. De teller tikt onverstoorbaar. De rit is ondertussen al veertien euro lang. Je herkent de omgeving. Je bent bijna thuis. Meer dan naar eender wat anders verlang je naar weer een goede nacht slaap, zodat je morgen met een heldere geest kan nadenken over de chaos die je leven geworden is. Je haalt het pillendoosje uit je binnenzak en slikt een volledige slaappil in.

Doordat je vermoeid bent en al even niets meer hebt gegeten of gedronken, overvalt het effect van de slaappil je meteen. Je zakt onderuit, voelt je wat draaierig, kijkt uit het raam, probeert je op een punt te focussen, maar al wat je ziet is een fantasmagorie van dansende lichtjes in deinende voortuinen. Kerstelfjes en sneeuwmannen zwaaien je in slowmotion toe. Je zwaait terug. De taxichauffeur mompelt iets over dronkenschap. Je blikt slalomt van buiten naar binnen, langs de dommelende chauffeur naar de geanimeerde teller met rode lichtjes, bent tomeloos gefascineerd door de elliptische bewegingen die de immer verspringende getallen maken, wacht af tot het ogenblik dat de een, de negen, de acht en de nul in een twee, een nul, nog een nul en nog een andere nul transfigureren. Je hebt immers maar twintig euro op zak. Een verdere autorit kan je niet betalen.

‘Stop’, zeg je nonchalant, onverwacht, met een geaccentueerd occlusief. De chauffeur ontwaakt in paniek, is de controle over het stuur verloren, gaat in een laatste reflex vol op de rem staan, slipt en sputtert over het wegdek als rende hij op bowlingschoenen een pas geboende ijspiste op, zwenkt van de straat af, ramt het bordes van een plechtstatig herenhuis, botst op een levensgrote somber kijkende kerstman. De airbag knalt als een kogel uit het stuur. ‘Oei’, zeg je tegen jezelf. Je haalt je laatste briefje van twintig euro uit je portefeuille en stopt het in de jaszak van de tussen de stoel en het stuur geknelde taxichauffeur.

‘Vrolijk kerstfeest’, zeg je.
‘We leven nog en dat is het belangrijkste’, zegt de taxichauffeur, legt dan zijn hoofd te rusten op de airbag als was het een moederborst en begint ogenblikkelijk te ronken.

Je stapt uit, treft een verlaten straat aan die je niet kent en begint te wandelen waar je instinct je heen leidt. Of wacht. Toch niet. Je hebt natuurlijk je smartphone. 62 procent batterij nog. Dat gaat nog, denk je. Geen netwerk, lees je bovenaan op het scherm. Je wandelt. Onderweg naar ergens. Onderweg naar huis.

Tussen de kerstlichtjes die de huizen en gebouwen sieren, ontwaar je plots een logo, een blauwe vlam in een witte cirkel. Ook al licht louter kunstlicht op dit uur de werkelijkheid op, toch zie je plots alles klaar. Dit is een teken, denk je, dit is jouw kerk, jouw biechtstoel. En misschien is het daar wat warmer dan hier.

Je sloft door een elektrisch geopende schuifdeur het gebouw binnen, beweegt je naar de balie, waar een oude man met een witte baard je ontvangt.

‘Wat kan ik voor u doen?’

Je kijkt om je heen. Kijkt naar de muur. Waar een blad hangt. Een blad met haar foto op. Ze kijkt je aan met de glimlach, haar angstaanjagende, huichelachtige glimlach. Je wijst naar de foto.

‘Het gaat over haar’, zeg je. ‘Ik wil de verantwoordelijke spreken.’
‘Wat is uw naam?’
‘Francesco Saelens.’

De man fronst een wenkbrauw, kijkt je onderzoekend aan. Zegt dan: ‘Komt u maar mee.’

Je volgt de agent. Wandelt enkele deuren voorbij. Gaat de deur binnen die hij voor je openhoudt.

‘Ga hier maar zitten’, zegt hij. ‘Mijn collega komt er zo aan.’

Je doet wat de agent zegt. Je gaat zitten op de blauwe plastic stoel. Je zit voor een bureautafel in een klein kantoor. Op de tafel prijkt een oude computer. Kronkelende posters sieren de muur, ook de hare. Een kerstboom krimpt in de hoek.

Na je-weet-niet-precies-hoeveel minuten komt een andere agent het kantoor binnen. Hij neemt aan de andere kant van de tafel plaats, schudt je de hand, zegt: ‘Vertel het maar, meneer Saelens.’

Even denk je na, probeer je de gevolgen te voorspellen. Maar je bent te moe om nog te redeneren. Het waas opent je hart en je ziel, je eigenste doos van Pandora.

‘Ik beken. Ik was in de Ardennen. Wij allemaal, eigenlijk. Voor een weekend. Een leuk weekend. Een verrassingsweekend. Lorenzo werd dertig en dat vierden we in de Ardennen. Ik was daar. Wij allemaal, eigenlijk. De hele familie was daar. Hij wist van niets. Wij hadden het allemaal georganiseerd. Zij ook. Zogezegd. Veel hulp bood ze niet. Alleen maar gezeur. En kritiek. Terwijl hij alleen maar het beste verdient. Hij heeft een hart van goud, maar het hare was koud. Om maar te zeggen.

We hadden allemaal een gloedhekel aan haar. Altijd moest ze in de belangstelling staan. Alles draaide om haar. Haar gewoontes waren de wet. Zij staat altijd vroeg op. Na de eerste nacht werd ze wakker om zes uur. Ze stond met veel trammelant op. ‘Goeiemorgen, schatjes!’ riep ze luid en overdreven vrolijk. Iedereen was klaarwakker.

Om halfzeven zaten we allemaal aan het ontbijt. Maar alles was slecht. De koffie was te slap. De croissants te vet. Het stokbrood niet Frans genoeg. De eieren waren ongezond. De sla, ja, die vond ze lekker. We speelden een gezelschapsspelletje. Lorenzo vermaakte zich. Zij wist niets. Vond de vragen te moeilijk. Ging boos weg. Wou gaan wandelen. De Bidon wou dat er een paar mensen gingen meewandelen. Anders zou ze nog slechtgezinder worden.

En dus gingen we wandelen. In de Ardennen. Het was nat en koud in dat bos. Ze zei niets. Was niet te genieten. Zo lang als ik haar kende was ze niet te genieten. Onuitstaanbaar was ze. Ze liep een paar meter voor ons. In haar eigen wereld. Zoals ik in de mijne.

En ik kreeg een visioen. Ik dacht eraan wat er zou gebeuren als mijn broer plots zou sterven. Hoe zij plots de betraande weduwe zou zijn. De eredienst naar zich zou toetrekken. Hoe alles dan naar haar zin zou moeten zijn. Niet naar de zijne. Niet naar die van zijn familie. Niet naar die van ons. En ik werd bang. Niet alleen door de gedachte dat mijn broer er niet meer zou zijn, maar ook door de gedachte dat zij alomtegenwoordig zou zijn op de vreselijkste dag van mijn leven. Dat zij vooraan in de rij van de grievenden zou staan. Dat wil ik niet, dacht ik.

Je kan niet geloven hoezeer ze op hem neerkeek. Ze voelde zich zo verheven, als was ze een koningin, de paus, de zon, een godin, de oerknal, een goeroe. Maar ze was een onuitstaanbare demon, die Mona. We ergerden ons allemaal kapot aan haar.

En toen gebeurde het. In het bos scheen het licht.

Oom Patrick draaide zich naar mij en fezelde met een brede glimlach: ‘Kunnen we die hier niet ergens begraven? Niemand zou haar hier ooit vinden.’

Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee.’

 

Where’s my nurse
I need some healing
I’ve been paralyzed
By a lack of feeling
I can’t even find
Anything worth stealing
Under fifteen feet of pure white snow

Is there anyone else here who doesn’t know?
We’re under fifteen feet of pure white snow

Raise your hands up to the sky
Raise your hands up to the sky
Raise your hands up to the sky
Is it any wonder?
Oh my Lord! Oh my Lord!
Oh my Lord! Oh my Lord!
Save Yourself! Help Yourself!
Save Yourself! Help Yourself!
Save Yourself! Help Yourself!
Save Yourself! Help Yourself!

– Nick Cave

Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 5

In tijden van gelijkwaardigheid hoeft een man heus toch niet groter te zijn dan een vrouw?

 

Are you hanging up a stocking on your wall?
Are you hoping that the snow will start to fall?

 

Een lange rij jassen en mantels kronkelt zich als een duizendpoot door de poorten de kerk binnen. Wie over enkele minuten met een luchttuig over de wit besneeuwde stad zou dwalen, zou verlaten huizen aantreffen waar sfeerlichten zijn blijven branden als vogelschrik voor inbrekers. Zij zijn zowat de enigen die zich in de nacht van 24 op 25 december op klokslag middernacht niet in de kerk bevinden.

Achteraan in de rij staan jullie, twee aan twee, arm in arm. De Bidon en je moeder, oom Patrick en Matthijs, Liesbeth en Lorenzo, Laura en David, jij en je hyperzelfbewustzijn. De ene al wat gelukkiger dan de andere, de ene al wat wankeler dan de andere, de ene al wat moeër dan de andere. Je slaaptekort tikt je op de schouder, maar als je omkijkt, zie je niemand.

Het is drie voor middernacht wanneer jullie de kerk betreden en de sneeuw van jullie haren en kleding kunnen laten smelten. Een orgel en een koor van een twintigtal bejaarde mannen en vrouwen laten traditionele kerstliederen weerklinken en begeleiden jullie passen. In het koor herken je de drie bejaarden uit de wachtkamer van dokter Vermorgen. De woorden die het koor ter ore brengt, worden gretig meegekeeld door de vroomste parochianen die al tot zevenmaal zeventig glaasjes te veel ophebben deze avond.

Vooraan in de kerk wordt het altaar geflankeerd door een levende kerststal. Jozef, Maria, een os en een ezel staan vroom de vierde wand te doorbreken. Een met lampzwart geverfde pop van Baby Born in de kribbe zorgt voor diversiteit.

Jullie bewegen zich door het gangpad naar voren. Alleen op de eerste rij zijn nog enkele plaatsen vrij. Die wordt door de eerste bezoekers uit schroom en voorbehoud opengelaten. Stel je maar eens voor dat de priester de losbandige walm van goedkope Aldi-wijn en Lidl-kroketten zou ruiken en zou zien hoe niet alleen de meest dronken nonkel al voor de geloofsbelijdenis zit te knikkebollen. Als iets de doorsnee middernachtsmisbezoeker definieert, dan is het wel zijn façade van oprechte interesse in een ritueel dat zich al zo’n twee millennia herhaalt, denk je.

Tijdens jullie tocht naar voren kan je je niet van de indruk ontdoen dat de mensen naar jullie kijken. Niet omdat oom Patrick strompelt en strunkelt, niet omdat Liesbeth zelfs op kerstavond een joggingpak draagt, zelfs niet omdat Liesbeth bij de Bidon thuis haar slapende kinderen vergeten is: wel doordat ze een vrouw van bijna gemiddelde grootte amoureus hand in hand zien wandelen met een man die door zijn geringe hoogte en zijn kindersmoking op weg lijkt om vijf maanden te vroeg zijn eerste communie te gaan doen.

Je hoort gemompel, gegniffel, geroezemoes, hier en daar een schaterlach, ziet hoe David en Laura het horen, ziet hoe de honende blikken van het volk tatoeages van zelfverloochening op hun ziel branden. Voor een ogenblik wens je dat ze met jou zouden lachen, met jouw panterjas, jouw geringe hoogte, die ze louter gedogen omdat er een extremum voor je loopt, zoals België naast Luxemburg best een groot land lijkt. Wanneer jullie gaan zitten, zie je hoe een diaken – of hoe noem je zo’n katholieke groupie ook weer? – jullie spottend toekijkt en vervolgens de priester een grap influistert die door de oude man op een smakelijke schaterlach onthaald wordt. David haalt deemoedig de schouders op. Laura geeft hem kus, jij geeft hem een schouderklop.

Nog geen vijf minuten over middernacht moet je moeder oom Patrick al middels een elleboogstoot in zijn zij behoeden voor openbaar gesnurk. De stem en de intonatie van de priester zijn monotoon als een metronoom. Wanneer je achteromkijkt, zie je hoe de meeste toeschouwers hoofdondersteuning zoeken op de schouder van hun buur.

Zoals elk jaar heb je in de smiezen dat veel van de bezoekers hier niet zitten om het leven of de zoveelste geboorte van de plastic Messias te vieren, maar wel om te zien en gezien te worden. Zij zijn diegenen die de heilige hostie liefst van al met een zoetzuur dipsausje zouden consumeren.

Je reflecteert over het afgelopen jaar, over wat je niet hebt gedaan. Een jaar waarbij je op een dag na de werkelijkheid hebt ondergaan als een koning het protocol. Hoe avant-gardistisch je in gedachten ook bent: in de realiteit ben je zo gedwee als plastic Baby Born uit de kribbe die zich een opportunistische blackface liet aanmeten.

Alleen kan je de wereld niet veranderen. Maar je kan alleen wel jouw wereld veranderen.

Midden in een verhaal van de priester dat je al zo’n twintig keer eerder hebt gehoord en al zo’n twintig keer eerder bent vergeten, sta je op, vastberaden, herboren.

Het duurt vele seconden voor ook maar iemand onder het ingedommelde volk doorheeft dat er iets aan de hand is. De priester dreunt al de hele tijd – en bij uitbreiding zijn hele leven – zijn tekst af als las hij het metrisch stelsel voor en ziet zijn spraak pas gestokt wanneer hij rumoer onder zijn parochianen ontwaart. Instinctief hoopt hij een verschijning te zien van de Heilige Maagd of toch op zijn minst van Maria Magdalena, maar de werkelijkheid is dat jij, een tengere jongeman van nog maar achtentwintig jaar, de preekstoel hebt beklommen en als een postmoderne verrijzenis van Adolf Daens het volk overschouwt. De priester slaat een kruisteken, want de enige vorm van bewakingsagenten in de kerk zijn de diakens, en die kijken er louter op toe dat er geen onverlaat met de rode wijn, pardon, het bloed van Christus, aan de haal gaat.

Je ziet de blikken van het volk op je gericht. Je kijkt naar je familie. De Bidon zit perplex, weet niet of je het licht of de duisternis hebt gezien. Je moeder grijnst, ziet weer een opflakkering van de zoon die ze ooit heeft gekend, iemand die het onverwachte omarmde, iemand die niet om enige conventie beschroomd is. Je grijnst terug. Kijkt dan naar het volk. Her en der haalt iemand zijn smartphone boven, om een filmpje, een foto of een Instagram Story aan je te wijden. Zij zien een man met een warrig kapsel, een donkere snor, een panterjas en een strak donker pak zonder das op de preekstoel prijken, weten meteen waarover ze straks bij het dessert zullen kunnen praten, en dan heb je nog niet eens iets gezegd. Je sluit de ogen en luistert, hoort de adrenaline door je lichaam gutsen, hoort hoe het volk de adem inhoudt, klaar om gereanimeerd te worden door jou.

Door jou.

‘Beste mensen. Ik ben de schaamte voorbij. Nu jullie nog.

Mijn naam is Francesco Saelens. Ik ben achtentwintig jaar. Zo’n kwartier geleden hebben jullie mij hier samen met mijn familie de kerk zien binnenwandelen. Jullie mompelden. Gniffelden. Lieten geroezemoes weerklinken. Stootten al snel onomwonden schaterlachjes uit. En waarom? Uit leedvermaak. Maar wat precies is het leed waarmee jullie zich vermaakten?

Vlak voor mij liepen twee verliefde mensen. Mijn zus en haar meer dan dertig centimeter kleinere geliefde. En dan? Ook al zaten jullie op jullie veel te lage kerkstoelen, toch keken jullie neer op het geluk van Laura en David. En waarom?

Beste mensen: dit is het manifest voor de waarde en de rechten van de kleine man.

Ooit is stilzwijgend bepaald dat grootte een kwaliteit is en geen eigenschap. Iemand die ook maar een centimeter kleiner is dan gemiddeld, is niet groot. Iemand die twintig centimeter kleiner is dan gemiddeld, en ik pleit schuldig, maar vraag ogenblikkelijk de vrijspraak, is helemaal niet groot. Iemand die een halve meter kleiner is dan gemiddeld, die kan de werkelijkheid niet meer omzwachtelen, die valt niet meer in een litotes te vallen. Die is gewoon klein. Alsof die vijf letters een scheldterm zijn. Een eigenschap die alle andere overstemt. Als een muzikant, acteur, schrijver of regisseur met talent zonder weerga in De Slimste Mens Ter Wereld in vier of vijf termen dient te worden omschrijven, is klein er steevast een van, overschaduwt die term elke andere verwezenlijking of charisma. Ik zeg het jullie hier en nu, beminde parochianen: dat is die term niet waard. Die term is even triviaal als de kleur van jullie kousen en jassen. Lengte is een eigenschap, niet eens een typerende, en geen kwaliteit. Wat ons met elkaar verbindt, is onze zelfverklaarde uniciteit. Maar waarom vinden we het bespottelijk als iemand niet aan statistieken en gemiddeldes voldoet? Breek uit jezelf, beste mensen.

Over statistieken en gemiddeldes gesproken: als iemand zoals ik op de barricades gaat staan, maken jullie al snel gewag van een Napoleoncomplex. Maar wisten jullie dat die man eigenlijk van gemiddelde grootte was in zijn tijd, dat hij geen curiositeit was, maar louter doorsnee?

Beste mensen: we zijn het er na jaren gekissebis over eens dat we allemaal gelijkwaardig zijn, man en vrouw en onbepaald, blank en zwart en gekleurd, gelovig en ongelovig en onwetend, heteroseksueel, homoseksueel, biseksueel, panseksueel, aseksueel, wat dan ook, wie dan ook. We wieden clichés en rollenpatronen als onkruid. Maar waar is de consequentie? In tijden van gelijkwaardigheid hoeft een man heus toch niet groter te zijn dan een vrouw?

Taboes zijn er niet om doorbroken te worden. Taboes zijn er om onze normen te bewaren en ons fatsoen te verrijken. Mensen bespotten, veroordelen, discrimineren om hun lengte is een van de laatste niet-taboes. Net zoals lachen met kaalheid, leeftijd en mensen die niet ontiegelijk vroeg opstaan nog geen taboe zijn. Maar dat zijn andere verhalen die maar eens een andere keer verteld dienen te worden.

Lieve mensen: Kerstmis is een viering. Een viering van vereniging, een viering van een nieuw begin. Kijk om jullie heen. We zijn hier verenigd in eenzaamheid. Jullie Tinderprofielen bulken van de restricties. Breek uit jezelf. Breek de grenzen open. Laat jullie verrassen. Durf jezelf te zijn. Durf uniek te zijn. Durf samen uniek te zijn. Ontdek. Verrijk. Geniet.

Vrolijk kerstfeest.’

Meteen na je slotwoord baadt het volk in verwondering en verlichting. Ze staren je aan als waren ze Bernadette Soubirous. Gestaag maar gedecideerd stijgt een applaussalvo op. Iedereen gaat staan. Ook jouw familie. Ook de Bidon. Ook jouw moeder. Ook Lorenzo. Iedereen. Het publiek joelt van vreugde, fluit, uitzinnig, bevrijd, ontvoogd. De organist speelt een popsong, het koor zingt Short people got every reason to live als een mantra. De priester wenkt Laura en David naar het altaar. Het volk zingt hen toe als waren ze een nieuw prinsenpaar. Een Mexican wave banjert door de zaal. Jij duikt van de preekstoel de massa in, crowdsurft op de golven van hun heropende geesten. Je wordt onthaald als een koning. Je glimlacht en lacht van olijke vreugde en opluchting. De laag permafrost in de geesten van de mensen is ontdooid.

Nieuwsgierige blikken krioelen door de kerk. Vrijgezellen allerhande dissen hun smartphone op, openen hun internetdatingprofiel en passen hun criteria aan. Jubelende meldingsgeluiden van nieuwe Tindermatches echoën door de zaal als vuurwerk voor de oren. Het volk mengt zich onder elkaar. David rent naar je toe, springt je in de rug, omhelst je met alle dankbaarheid die hij bezit. Laura zoent je wang met de verbindende zachtheid van de beste zus die je je kan wensen. Je ziet je moeder stralen, ziet haar met haar navigatieapp als kompas in de kerk op zoek gaan naar de nieuwe match die haar smartphone haar heeft aangereikt, ziet haar stranden in de warme armen van dokter Dirk Vermorgen, een man die een half hoofd kleiner is dan zij. Je ziet de Bidon lonken naar de iele, oude apotheker die je van je slaapmedicatie voorzag. Oom Patrick nipt samen met de vrouw van een diaken van de kerkwijn. Matthijs wisselt de eerste zoen van zijn leven uit met een man met wie je ooit nog gevoetbald hebt. Liesbeth? Die heeft geen nood aan intimiteit of romantiek. En Lorenzo? Die vindt zijn geluk in de armen van Mona.

Wat, Mona?

Mona.

Niet de Mona die zichzelf als de maat van alle dingen zag.
Niet de Mona die zich verheven voelde boven alles dat ze niet kon bevatten
Niet de Mona die de draak stak met gewoontes die niet als de hare waren.
Niet de Mona aan wie jij een grotere hekel had dan aan domheid of onrecht.
Niet de Mona van wie iedereen zich meermaals luidop afvroeg wat Lorenzo in haar zag.
Niet de Mona die voor het laatst in levenden lijve is gezien in de Ardennen.

Niet die Mona.

Maar wel Mona. De echte Mona. Niet-Emma Mona. Mona met de hertenogen en de herbergzame glimlach.

Jouw Mona.

Je haalt je schouders op. Je hebt geoogst wat je hebt gezaaid. Ook karma heeft zijn geldingsdrang.

Je draait je om, knoopt je panterjas toe en verlaat de tot een carnavaleske herberg verworden kerk. Een ambigue traan biggelt van je wang.

Buiten regent het sneeuwvlokken in de vorm van diverse smileys en emoji.

De sneeuw is tot de hoogte van je spleen gerezen.

 

So here it is, merry Christmas
Everybody’s having fun
Look to the future now
It’s only just begun

– Slade

Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 4

Ergens in de Ardennen trompt een olifant

 

So this is Christmas
And what have you done?

 

De ene olifant in de kamer heeft de grootte van een microvarken. De andere hebben jullie ergens in de Ardennen achtergelaten.

Kort nadat de ambulance Hildegard had afgevoerd, de overbuurvrouw die als gevolg van een al te hevige lachstuip een beroerte had opgelopen, en nadat ze in de nachtwinkel nieuwe drank waren gaan halen, maakten je zus en je diminutieve schoonbroer eindelijk hun intrede op het feest, en meteen trokken de enkele minuten voordien uitgesproken bezwaren en grappen van je familieleden zich terug in hun respectieve achterhoofden als slakken in hun huisjes.

De nieuwe vriend werd begroet als was hij de volmaakte Jan Modaal: een verzorgde man met een korte, kalende coupe en een driedagenbaard, iemand met een keurige baan als hoogleraar, iemand met een passie voor auto’s en motorsport, iemand die zoals elke normale man bier lust, iemand die zich amechtig vastklampt aan Zwarte Piet als ons cultureel erfgoed. En bovenal: iemand die zich in discussies fanatiek over politiek uitspreekt, hoewel hij in verkiezingstijden op de stellingen van internetstemtests veelal geen mening invult en daarom dus steevast de CD&V als stemadvies krijgt toegewezen. Contrair als hij is, stemt hij echter steevast op de N-VA, naar eigen zeggen uit persoonlijke sympathie voor Jan Peumans.

Of, kortom: ondanks dat hij zo’n twee hoofden kleiner is dan jij, staat hij inmiddels al meer dan een paar zevenmijlslaarzen boven jou in de familiehiërarchie.

Dat hij het op je gemunt heeft, spreekt op dat vlak ook in zijn voordeel. Het heeft geen twee minuten geduurd voor hij de familie heeft verteld van jullie eerste ontmoeting. De excuses die je hem toen had nageroepen, beweerde hij niet te hebben gehoord, vooral omdat jij die vast ter plaatse had verzonnen, waarop je familieleden bij monde van vooral de Bidon en je moeder scha en schande van je spraken.

Marie en Gaspar vonden de dwerg ook meteen erg prettig. Ze zagen in hem een nieuw speelkameraadje, iemand met wie ze tikkertje, verstoppertje, poppenkast en de kinderstoelendans konden spelen. Wat was de gnoom verbouwereerd toen Liesbeth opperde dat jij niet zo’n goede band met de kinderen had, vooral toen bleek dat de kinderen je naam nog niet eens kenden. In een vlaag van grootsheid leerde hij Marie en Gaspar jouw naam aan. De giechellachjes van de kinderen toen ze de dwerg herhaaldelijk vol spot ‘oom Frisco’ hoorden zeggen, sneden door je hart als een cirkelzaag door roomijs.

Toen je vertelde dat je podcasts maakte, kreeg hij de lachers op zijn microhand met een ‘de pot-cast op’-woordgrap, want een gemeenschappelijk mikpunt van spot is bevorderlijk voor de sfeer in een groep, hoe slecht de grappen over dat mikpunt ook zijn.

Hij verslikte zich in zijn La Chouffe en zijn blokje salami toen hij hoorde dat je de Bobon nog steeds ‘de Bidon’ noemt, omdat je haar roepnaam als kind maar niet uitgesproken kreeg en tegen elke correctie in ‘de Bidon’ bleef zeggen. Jammer genoeg wist Liesbeth het Heimlichmanoeuvre uit te voeren.

Als apotheose van de hilariteit voorzag hij jou als enige aan tafel van een kinderbeker in plaats van een glas, ‘omdat jij toch geen bier drinkt, zoals de echte grote mensen’. Met de frase ‘al een geluk dat Laura en Lorenzo de genen van jou en de Bobon hebben geërfd, mevrouw Martine, en niet die van hun vader, zoals, euh, hoe heet hij ook weer, Frisco?’ wist de driftige dreumes in een klap zijn nieuwe lief, schoonbroer, schoonmoeder en grootmoeder in te palmen.

Na de soep mocht hij van Liesbeth zelfs Marie en Gaspar in bed leggen, ze het sprookje van Repelsteeltje voorlezen en ze een zoentje geven, zodat ze goed zouden dromen. Toen hij de kinderen uit eigen beweging nog een gebed voorlas, was de Bidon zo ontroerd dat ze hem als beloning voor zijn christelijke ziel prompt het kerstgeld ter waarde van 150 euro gaf uit de enveloppe die eigenlijk voor jou bestemd was.

Echt: als het nog steeds een erkende sport was geweest, dan was jij hier en nu olympisch kampioen dwergwerpen geworden.

Na het voorgerecht luidde de Bidon vol enthousiasme en ongeduld een van de belangrijkste ogenblikken van elke kerstavond in. Naar jaarlijkse gewoonte hadden jullie op Pasen al een loting laten plaatsvinden om te bepalen wie wier Secret Santa zou zijn, zodat iedereen voldoende tijd zou hebben om het perfecte cadeau te vinden binnen de grenzen van het budget van 25 euro. Oorspronkelijk had jij dus, euh, die Mona geloot, maar uiteindelijk moest je een cadeau kopen voor Laura’s nieuwe lief, the Secret Elf, zeg maar.

Iedereen wist zich dit jaar weer te overtreffen. Oom Patrick gaf Liesbeth een bon van Ikea, Liesbeth gaf Lorenzo een bon van Bol.com, Lorenzo gaf Matthijs een bon van Mediamarkt, Matthijs gaf de Bidon een bon van de C&A en de Bidon gaf je moeder gewoon vijf briefjes van vijf euro.

Nu is je moeder echter aan de beurt. Zij heeft geen kaartje af te geven, maar echt een ingepakt cadeau in een behoorlijk grote doos. Je vraagt je af voor wie het cadeau bestemd is.

‘Voor mijn favoriete kind, ik bedoel, dochter’, zegt je moeder wanneer ze het cadeau aan Laura overhandigt.
‘Bedankt, moeder.’ Ze kijkt verbaasd. Een bon is meestal toch niet zo groot?

Laura scheurt de verpakking open. De familie kijkt nieuwsgierig toe. Een doos van Zalando is haar deel. ‘Vooruit, maak open’, vuurt je moeder je zus aan.

Laura opent de doos en haalt er een paar hoge pumps met pantermotief uit. Ze glimlacht breed. De dwerg kijkt nerveus. ‘Oh la la la’, begint oom Patrick uit het niets TC Matic te zingen.

‘Wauw, moeder, ze zijn prachtig, dankjewel’, zegt Laura oprecht, en ze geeft haar moeder een zoen. ‘Hebben die echt maar 25 euro gekost?’
‘Ze hebben mij maar 25 euro gekost, maar eigenlijk kostten ze 50 euro. Maar ik had nog een tegoedbon, vandaar.’ Liesbeth fronst het gelaat. Zij had je moeder vorig jaar een bon van Zalando gegeven.

‘Vind jij ze ook niet prachtig, liefje?’ vraagt Laura aan de dwerg, maar die bet met een servet zijn gezicht.
‘Scheelt er iets?’ vraagt je moeder aan haar schoonzoon.
‘Laura,’ zegt hij met te weinig adem, ‘hoe groot ben jij?’
‘Ongeveer 1m63, waarom?’
‘Hoe hoog zijn die schoenen?’
‘10 cm’, zegt je moeder.
‘Hoe groot is de gemiddelde Belgische vrouw?’ vraagt de dwerg. Meteen zoekt Matthijs het antwoord op. ‘164,6 cm’, zegt hij. De dwerg hyperventileert.
‘Ruil die schoenen maar om. Geen sprake van dat je die draagt.’
‘Scheelt er wat, schat?’ vraagt Laura bezorgd, terwijl ze zijn rug liefkozend streelt.
‘Kijk, Laura. Ik heb geen enkel probleem met mijn lengte. Maar ik heb me voorgenomen dat ik nooit iets zou beginnen met een vrouw die groter was dan de gemiddelde vrouw. Dat zou belachelijk zijn.’
‘Waarom zou dat belachelijk zijn? Ik ben toch niet groter dan de gemiddelde vrouw?’
‘Met zulke schoenen aan toren je boven al best grote vrouwen uit. Dat zou echt geen gezicht zijn. Het moet menselijk blijven. Een vrouw mag niet groter zijn dan een man met een normaal postuur. Bij een dwerg is er 50 cm respijt. Dat respijt zou jij nu met de voeten treden. Als je die glorieus oncomfortabele panterpumps draagt, is het gedaan tussen ons.’
‘Hoe maken die 10 extra centimeters nu het verschil?’
‘Het gaat om de statistieken en het principe.’

Wat een krasse uitspraak, denk je, en je ziet hoe er zachte damp uit de rug van de dwerg lijkt op te stijgen, als had hij net een marathon gelopen, zoals de vader van die theatermaker en schrijver Yannick Van Puymbroeck blijkbaar al meermaals heeft gedaan. Je herinnert je dat uit een van de roddelblaadjes die in de wachtkamer van dokter Vermorgen lagen. Dirk heet de man trouwens. De vader van Yannick Van Puymbroeck, bedoel je, niet dokter Vermorgen. Hoewel die ook Dirk heet. Hoe dan ook: volgend jaar wil die Yannick Van Puymbroeck met de steun van zijn vader zelf zijn eerste marathon lopen, hij wil dat doen voor hij 30 wordt, op 20 januari 2019 is dat, herinner je je nog. Als mensen niet veel te doen hebben, beginnen ze maar te sporten, denk je. En dan ontwaak je uit je gedachtestroom en volg je weer geïntrigeerd de discussie tussen Laura en de dwerg.

‘Ik toren sowieso al boven je uit.’

De dwerg weet niet wat hij hoort, slaat met zijn vuistje een barst in de tafel. Er komt rook uit zijn hand. Niemand ziet het behalve jij.

‘Noem jij mij klein?’
‘Ja.’
‘Wat?’
‘Je bent toch niet groot?’
‘Het is gedaan tussen ons.’ De dwerg klimt van zijn stoel en stapt naar de voordeur.
Bye Bye Till the Next Time’, lalt oom Patrick een andere TC Matic-hit.
‘Wat krijg jij nu toch, liefje?’ vraagt Laura bezorgd, maar de dwerg reageert koleriek.
‘Stop nu eens met dat verkleinwoord’, briest hij. ‘Lief noem je mij, lief en niets anders.’

Op dat ogenblik begint de olifant in de kamer danig te trompen. Oom Patrick spreekt uit wat iedereen denkt.

‘Hoe heet jij eigenlijk?’
Devid’, zegt de dwerg.
‘Hoe?’
‘David, maar dan op zijn Engels’, verduidelijkt Laura.
‘Maar je schrijft het met een e’, zegt de dwerg. ‘D-e-v-i-d.’
‘Jij schrijft het met een e, maar op je identiteitskaart staat het met een a’, corrigeert Laura.
‘Ja, David dus, en hoe nog?’ vraagt de Bidon, terwijl ze naar de keuken wandelt. ‘Dan zet ik je meteen op de verjaardagskalender.’

De dwerg gaat wat dichter bij Laura zitten, fluistert, zodat alleen Laura hem kan horen:
‘Ja, ja, officieel is het nog met een a, ja. Zodra ik 470 euro kan betalen om mijn voornaam te laten veranderen, zal ik dat doen. Maar eerst moet mijn schorsing aan de universiteit ongedaan worden gemaakt’.

Maar helaas: wat zich niet in dat te grote hoofd op dat te kleine lichaampje bevindt, is de kennis dat jij over een hyperperfect gehoor beschikt. Je grijnst. Jij weet iets van hem dat niet mag zijn geweten. Je journalistieke voelsprieten tintelen.  Je observeert zijn wat hoekige figuur. Zijn huid creëert nog steeds damp. Er is hier iets niet pluis, denk je, als een detective in een stripverhaal.

‘Wanneer ben jij jarig?’ roept de Bidon vanuit de keuken.
‘28 december.’
‘De dag van de onnozele kinderen’, leest Matthijs Google voor.
‘Ja, ja.’ De façade van de dwerg vertoont barsten, er verschijnen groeven in zijn gelaat.
‘Ja, je naam staat erop, David’, zegt de Bidon met de bic in de hand. ‘Maar wat is nu eigenlijk je familienaam?’
‘Doe maar zonder familienaam.’
‘Geen sprake van. Iedereen staat met naam en toenaam op de kalender. Dat is overzichtelijker zo. Iedereen gelijk voor de wet in mijn administratie.’
‘Dat is de neurose van de Bobon’, fluistert Laura David bemoedigend toe.

De dwerg haalt even diep adem, houdt zijn adem drie tellen vast, en blaast dan langzaam uit. De familie gaapt hem aan met ogen vol vraagtekens.

‘Beloof je mij dat je niet zult lachen?’ vraagt David.
‘Oké’, zegt je moeder.
‘Beloofd’, zegt Matthijs.
‘Deal’, zegt Liesbeth.
‘Erewoord’, zegt de Bidon. David aarzelt, stamelt dan:

‘David… De Cabooter.’

Even blijft het stil. Dan ontaardt de familie synchroon in een schaterlach. Ook oom Patrick lacht, veel te luid en veel te hard, rolt over tafel van het lachen, klopt je amicaal als weleer op de rug, alsof je je net hebt verslikt. Zelfs Lorenzo is in een lachkramp geschoten. Wacht.

Wat?

Lorenzo is in een lachkramp geschoten.

Iedereen kijkt hem aan. Elke andere lach is uitgedoofd. Zelfs de rook om het hoofd van David De Cabooter is verdwenen. Vreemd. Het is stil.

Stil.
Alles is stil.
De wereld staat stil.
De wereld is Lorenzocentrisch.

Lorenzo lacht. En lacht. Lacht luider. Lacht harder. Zo hard als hij kan lacht hij, lacht hij na al die maanden waarin hij niets anders deed dan zwijgen en huilen, zwijgen en huilen, zwijgen en huilen. En huilen. Huilen. Huilen.
Hij huilde. Veel. Vaak. Dagelijks.
Tranen van zilt en porselein.
Tranen van gemis en verlangen naar iemand die hem ongelukkig maakte.
Maar dat kan je broer zich niet meer herinneren.

De familie slaat een arm om elkaars schouder. De Bidon, oom Patrick, je moeder, Liesbeth, Matthijs, Laura, David en jij vormen een beschermende kring rond Lorenzo, rond Lorenzo en Linda, de pop van porselein in wier omhelzing je broer zich nestelt als was ze zijn pacemaker.

Lorenzo’s gelach slaat om in gelach van onmacht, gelach van gehuil. Maar hij is geborgen, veilig in zijn cocon, de cocon van zijn naasten, de cocon van zij die het beste met hem voorhebben. Hij huilt, maar dat is niet erg. Jullie omhelzen elkaar, oprechter en tederder dan ooit. David en jij wisselen een blik van vergeving en respect uit. Oom Patrick, eensklaps nuchter, streelt Linda de pop deemoedig vaderlijk. Buiten dwarrelen de eerste sneeuwvlokken.

Ergens in de Ardennen trompt een olifant.

 

And so this is Christmas

War is over

And what have we done?

If you want it

Another year over

War is over

And a new one just begun

Now

– John Lennon

Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 3

In haar hyperrealistische groene ogen zitten weemoed en nachtmerries verscholen

 

The mood is right
The spirit’s up
We’re here tonight
And that’s enough

 

Naar aloude familietraditie laat je de deurbel driemaal kort na elkaar rinkelen. Zo weet de Bidon dat er een bekend gezicht voor haar deur staat, en geen bedelaar, leurder, verkrachter, of erger nog: Hildegard de overbuurvrouw, die altijd nieuwsgierig is naar al wat beweegt in het leven van de Bidon, roddels en geldzaken het eerst.

Kerstmis is voor de overbuurvrouw de interessantste periode. De volledige stamboom van de Bidon komt op bezoek, iedereen heeft cadeaus mee en de kleinkinderen ontvangen hun jaarlijkse fooi. Voor je broer, je zus, je nicht en je neef is dat kerstgeld een leuk extraatje, voor jou is het een noodzakelijke bron van inkomsten. Je eigen boekhouder ben jij, en hij heeft je geadviseerd om zo spoedig mogelijk Win For Life te winnen.

Hoe dan ook: nog geen zes seconden nadat je de bel hebt laten rinkelen, komt de Bidon, negenentachtig jaar en nog gezwind als weleer, de deur openmaken. Ze sleurt je de gang in, zegt:

‘Zie nu, nu staat ze al door de gordijnen te kijken, die Hildegard. Het is niet te geloven. Dag jongen.’

Ze wijst met haar wijsvinger naar haar wang, om je aan te manen haar een kerstkus te geven. Dat doe je. Dan blijft ze even staan, bekijkt ze je van onder tot boven, zegt dan, met een weinig verhulde inherente scepsis:

‘Vind je je haar mooi zo?’
‘Hoezo?’ reageer je nietszeggend.
‘Het is zo lang en het staat zo omhoog. Je zou het zoals die presentator van tv moeten hebben. Hoe heet hij ook weer?’
‘Wie?’
‘Wel, van dat programma.’
‘Welk programma?’
‘Dat met die blokken.’
‘Blokken?’
‘Ja, dat is het.’
‘Bedoel je Ben Crabbé?’
‘Ja.’
‘Die is zo goed als kaal.’
‘Ja, en dan? Dat is toch proper en verzorgd?’
‘Ja, ja’, zucht je, en je wandelt de gang uit, de living in.

Je oom en je neef zitten naast elkaar in de sofa. Oom Patrick kijkt naar tv, naar een soap over enkele dichters met weinig talent. Matthijs daarentegen zit op zijn smartphone te tokkelen, speelt een of ander oud spelletje, iets uit zijn jeugd, Tetris of zo.

‘Hallo’, zeg je. Matthijs kijkt niet op. Oom Patrick zegt: ‘Stil, ik ben dat aan het volgen.’ Onwillekeurig denk je aan het lied Nu zijt wellekome, Jezus lieve Heer, maar jij bent Jezus niet. En evenmin Ben Crabbé. Je gaat tussen oom Patrick en Mathijs in de sofa zitten.

Op televisie zijn vijf personages heel onnatuurlijk naast elkaar gepositioneerd. Ze bevinden zich klaarblijkelijk op een soort zolder. Een vreemde conversatie ontspint zich:

‘Geen gezever, Mitchell. Hoe heet gij?’ vraagt een man die een hawaïhemd draagt.
‘Wel euh…’ zegt Mitchell, een kerel die er best keurig uitziet.
‘Hup, tempo!’
‘Belooft ge mij dat ge niet zult lachen?’
‘Oké’, zegt een aantrekkelijke vrouw. Jammer van die onflatterende gele blouse, denk je.
‘Beloofd’, zegt een man met een hoed en een babyblauwe polo in de stijl van Knokke-Le Zoute.
‘Deal’, zegt een frêle meisje in het wit.
‘Erewoord’, besluit het hawaïhemd. Mitchell aarzelt, stamelt dan:
‘Mitchell… De Neuker.’

Het blijft even stil. Dan ontaarden de personages synchroon in een schaterlach. Ook oom Patrick lacht, veel te luid en veel te hard, rolt over de sofa van het lachen, klopt je op de rug alsof je je net hebt verslikt. Zelfs Matthijs is in een lachkramp geschoten. Game over, lees je op zijn smartphonescherm.

‘Geniaal! Briljant! Waar haalt hij het?’ kirt oom Patrick. ‘Zoiets kan jij niet schrijven hé, Francesco?’
‘Ik maak dan ook geen televisieseries’, zeg je met een mengeling van melancholie en rede, maar oom Patrick reageert niet. Zijn vraag was retorisch. Hij schuddebuikt, neemt een slok van zijn glas alcoholvrij bier, verslikt zich wanneer de televisie plots zwart en klankloos wordt. Je klopt hem op de rug.

‘Hela, moeder, ik ben dat aan het volgen’, zegt hij tegen de Bidon, die de afstandsbediening in haar hand houdt als was het een leeggeschoten jachtgeweer.
‘Het is hier een familiefeest. Dan kijk je niet naar televisie, maar praat je met elkaar. En je kijkt al zeker niet naar een programma waar ze zulke lelijke woorden gebruiken. Die wil ik niet horen op Kerstmis.’
‘Anders wel?’ vraag je, maar je grap gaat teloor.
‘Waarover moeten we dan praten?’ zegt oom Patrick met een verongelijktheid die hem eensklaps zo’n vijfenvijftig jaar jonger maakt.
‘Over het leven.’
Oom Patrick en jij wisselen een korte blik uit. Jullie denken aan hetzelfde. Proberen dat elk ogenblikkelijk weer te vergeten.
‘En, Francesco, euh, alles goed?’
‘Ja, ja’, lieg je, zoals de conventie van die overbodige vraag voorschrijft.
‘Heb je al werk gevonden?’
‘Ik zoek niet echt naar werk, ik ben mijn carrière als podcaster aan het ontplooien.’
‘Op die manier’, zegt oom Patrick, de bruggepensioneerde kraanwerker, die jarenlang zo’n vijftig uur arbeid per week verrichtte en nu last heeft van drie hernia’s en een ingegroeide teennagel.

Dan rinkelt de deurbel driemaal kort na elkaar. Saved by the bell, denk je. De Bidon spoedt zich de gang in, opent de deur. ‘Bobon’, zingt een tweekoppig koor, en met driftige pasjes stormen Marie en Gaspar de gang in, alsof ze meedoen aan de Winkelkarquiz. ‘Niet lopen’, roept Liesbeth, de lerares Lichamelijke Opvoeding, haar tweeling toe.

Nog niet eens enkele ogenblikken later vliegen de kinderen Matthijs en oom Patrick om de hals. Jou bekijken ze als het Parochieblad dat toevallig nog in de living rondslingert. Wat heb je die twee toch misdaan? Ze kennen je naam niet eens. Van jou zouden ze je zelfs oom Frisco mogen noemen, en je denkt terug aan de spottende bijnaam die de een jaar oudere spelers uit je voetbalploegje je hadden toebedeeld, vele jaren terug. Wat zou je graag beroemd zijn, zodat ze op een dag jouw naam in de krant zouden lezen, en denken: verdorie, in die Francesco hebben we ons vergist. Hoewel: zou zulk schorem de krant wel lezen?

‘Dag jongen.’

Je schrikt. Je moeder staat voor je. ‘Hoe kom jij hier?’ zeg je in een reflex.
‘Met de auto. En met de sleutel van de voordeur. Dit huis is voor een derde mijn eigendom, weet je wel? Krijg ik geen kus? Je ziet er heel moe uit.’
‘Ik slaap al maanden heel slecht’, zeg je, en je zoent haar wang.
‘Oei. Maar je haar ligt goed. Ben je naar de kapper geweest?’ Smalltalk is toevallig een van je moeders specialiteiten.
‘Nee, ik knip mijn haar altijd zelf. Het is iets te kort. Maar kijk: een kapper knipt het ook altijd te kort. En dan kost het me 30 euro of zo. En dat vind ik het niet waard.’
‘Als je je studies had afgemaakt,’ mengt de Bidon zich in het gesprek, ‘dan had je wel geld om naar de kapper te gaan, dan was je haar tenminste kort en proper geweest, zoals dat van die ene.’
‘Van wie?’
‘Die zanger.’
‘Welke zanger?’
‘Die uit die groep.’
‘Welke groep?’
‘Die van dat liedje.’
‘Welk liedje?’
‘Dat over die sirene. Ik zou het duizend keer zeggen. Hoe heet die mens?’
‘Frank Vander linden van De Mens, bedoel je?’
‘Ja, die bedoel ik.’
‘Die is zo kaal als een ei.’
‘Ja, en dan? Dat is toch proper en verzorgd?’
‘Ja, ja’, zucht je, en je wandelt naar de keuken, op zoek naar alcohol. Maar de koelkast bevat louter frisdrank en alcoholvrij bier dat je toch niet lust.

‘Is er geen alcohol in huis dit jaar?’ vraag je aan de Bidon.
‘Zie, ik ben niet de enige die erover klaagt’, zegt oom Patrick.
‘Klaag niet zo’, zegt je moeder tegen haar broer. De Bidon negeert het gekibbel.
‘Ons Laura zorgt voor de wijn, de whiskey en de champagne dit jaar. Het is te zeggen: haar nieuwe vriend zorgt ervoor. Die stond erop dat zij de drank meebrachten en betaalden. Die vriend zal op een goed blaadje willen staan, zeker? Weet jij al iets meer over hem, Lorenzo?’
‘Ik weet evenveel als jullie’, zeg jij, gewend als je het bent om door de Bidon per abuis met de naam van je broer aangesproken te worden.
‘Ik ben toch eens benieuwd. Hopelijk is het een beetje een deftige jongen met een hoge positie.’

De minuten verstrijken. Je zit met je glas cola in de hand in de sofa. De bacardi denk je er wel bij. Marie en Gaspar dringen er bij hun oom Matthijs op aan om nog eens een leuk filmpje te laten zien. Je ziet je kans schoon. Jouw kans om oom Frisco te worden. Je haalt je smartphone boven.

‘Willen jullie eens een echt grappig filmpje zien?’
‘Ja!’ zegt de tweeling enthousiast.
‘Kom’, zeg je. Ook oom Patrick, Matthijs, Liesbeth kijken mee naar je smartphonescherm.

Je toont een filmpje van een klein jongetje dat met zijn driewieler van een helling rijdt, in de richting van een schansje. De helling is echter steiler dan gedacht, en het jongentje vliegt tegen een rotvaart met gespreide beentjes op en over het schansje, smakt dan met driewieler en al tegen de grond, als een kuikentje dat uit een blender valt. Niemand lacht. Marie en Gaspar krijgen de tranen in de ogen en worden vlug omhelsd door je moeder, hun tante Tina.

Dan rinkelt de deur weer driemaal na elkaar, slomer en trager dan de familieregels over de traditionele manier van aanbellen voorschrijven.

‘Dat zal Lorenzo zijn’, zegt de Bidon bezorgd. En inderdaad, een halve minuut later staat je broer in de living, met een cadeautje in de ene hand en een akelige porseleinen pop in de andere. Ze is zo groot als een pasgeboren kind. Haar donkerbruine krulharen vallen over haar Vermeerblauwe jurkje met witte franjes en haar lippen zijn getuit als was ze een femme fatale. In haar hyperrealistische groene ogen zitten weemoed en nachtmerries verscholen. Liesbeth slaakt een gil. Lorenzo doet alsof hij niets gehoord heeft.

‘Hoi’, zegt hij met de opgewektheid van iemand die op de dakrand van een wolkenkrabber staat.
‘Wat is dat?’ zegt Liesbeth, terwijl ze een paar passen naar achteren zet.
‘Dit is Linda.’
‘Wie?’
‘De pop van Mona en mij. Wij hebben haar geadopteerd. Hadden haar geadopteerd’, herstelt hij zich. Je broer stopt je zijn pakje in de hand en omhelst zijn porseleinen surrogaatbaby innig. Je merkt hoe oom Patrick je blik opzoekt, maar jij kijkt star naar het ongeopende cadeau.
‘Doe dat weg, voor de tweeling schrik krijgt.’
‘Linda is hier en blijft hier.’
‘Lorenzo!’ zegt Liesbeth met de vastberadenheid van een lerares die niet eens een klas achtjarigen de baas kan.
‘Geen ruzie op Kerstmis’, zegt de Bidon sereen, en iedereen gaat zitten en zwijgt stil. Ook Linda.

Dan hoor je een auto stoppen. Je moeder beweegt zich voorzichtig naar het raam, om van achter de gordijnen van de Bidon de eerste loerende blik te kunnen werpen op haar toekomstige schoonzoon. Je volgt haar voorbeeld en ziet hoe Hildegard aan de overkant van de straat dezelfde reflex als je moeder had.

Voor de deur van Hildegard staat een grote jeep geparkeerd. Je ziet hoe Laura uitstapt aan de passagierskant, de straatkant. Van haar nieuwe vriend is echter geen spoor. Je ziet haar naar de achterkant van de wagen stappen, ziet hoe ze de ene klapdeur van de koffer opent.

‘Ik zie hem niet’, zegt je moeder tegen zichzelf, terwijl de rest van de familie mee over haar schouder loert. Je zus en haar geliefde worden verborgen door de klapdeur.

Dan zie je Laura met een grote kartonnen doos in de hand tevoorschijn komen, klaar om de straat over te steken. Ze houdt de doos aan de zijkant vast, niet onderaan.

‘Pas op!’ hoor je een hysterische mannenstem krijsen, terwijl de bodem van de doos het onder het gewicht van kilo’s wijn, whiskey en champagne begeeft. De familie schrikt, het straatasfalt laaft zich een coma, maar jij, jij herkent die hysterische mannenstem van ergens.

‘Oh nee, al die dure drank! Waarom droeg ons Laura nu toch zo’n zware doos?’ vraagt je moeder zich hardop af.

Dan verschijnt een foeterende volwassen man met een kinderconfectiekostuum uit de H&M van achter de klapdeur.

‘Daarom dus’, hoor je je moeder brabbelen, net voor ze onder begeleiding van jouw geamuseerd gegrinnik het bewustzijn verliest.

 

The party’s on, the feeling’s here
That only comes this time of year
Simply having a wonderful Christmas time
Simply having a wonderful Christmas time

– Paul McCartney

Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 2

Al wat verdwijnt keert op de een of andere manier ooit terug

 

What’s this? What’s this?
There’s something very wrong

 

Het is drie over zes wanneer je de winkelstraat bereikt. De kerstverlichting die om de zoveel meter van dak tot dak is gespannen, spreidt een deken van licht over het verlaten asfalt. De winkeliers hebben de rolluiken al naar beneden gelaten en de late kerstshoppers hebben zich inmiddels weer verscholen in de warmte van hun woonsten. Je bent teneinde raad en adem.

Halfweg in de straat zie je nog licht branden. Je zet het op een drafje. Enkele ogenblikken later strand je voor een kleine boetiek. Behoedzaam open je de deur van het winkeltje.

‘Goedenavond’, zegt een vrouwenstem die zich buiten je gezichtsveld bevindt. De stem is een sjaal om je hals bij vriesweer.

‘Goeiedag’, zeg je, en je zoekt de vrouw tussen de kekke kleding die haar boetiek vult. Wat Eden is voor christenen, is deze boetiek voor fans van Bon Iver.

Dan duikt de vrouwenstem van achter een kledingrek in volle gedaante op. Hertenogen en een herbergzame glimlach verwelkomen je. De vrouw lijkt wat op Emma Stone met donker haar. Ze draagt een bordeaux blouse, een zwarte pantalon en zwarte lakschoenen. For Emma, forever ago tolt plots door je hoofd. Je bent geen fan van Bon Iver. Je bent fan van Emma die vast niet Emma heet.

‘Wat kan ik voor je doen?’
‘Euh, bent u, euh, nog open?’
‘Zoals je ziet. Wij zijn geopend tot halfzeven.’
‘Ah. Dat is, euh, handig.’

Je bent van je à propos. Niet-Emma leidt je in bekoring. Je wordt snel verliefd als je in je dagelijkse leven weinig vriendelijke gezichten ziet.

‘Ik ben wat laat. Ik kom van de dokter, afijn, dat heeft geen belang. De winkels zijn toe en ik zoek nog een cadeau. Secret Santa morgen, weet je wel.’
‘En wat zoek je precies?’

Jou, ik zoek jou, denk je, maar je durft het niet te zeggen. Te flauw, te clichématig, zoiets werkt alleen in een kerstfilm. En je zou haar trouwens toch nooit aan het nieuwe lief van je zus geven. Je gedachtegang houdt geen steek.

‘Ik weet het eigenlijk niet. Het is nogal moeilijk. Het is een cadeau voor de nieuwe vriend van mijn zus.’
‘En wat voor iemand is hij?’
‘Ik weet het niet. We hebben hem eigenlijk nog nooit ontmoet. Morgen stelt ze hem voor aan de familie.’
‘Wat leuk’, zegt ze oprecht geïnteresseerd. Je vermoedt plots dat ze uitermate geschikt zou zijn voor een baan als vrijwilligster bij de Zelfmoordlijn.
‘Dus ja, ik zoek iets voor iemand die ik nog niet ken.’
‘Wat is het budget?’
‘25 euro.’
‘Oei.’ De verkoopster denkt even na.
‘Heb je niets voor dat budget?’ vraag je.
‘25 euro voor een goed kerstcadeau is moeilijk. De meeste kleding hier is duurder, weet je wel? Wij kunnen niet concurreren met de dumpingprijzen van grote ketens. Al onze kleren zijn handgemaakt in, euh, Lapland.’
‘Dat begrijp ik.’
‘Tenzij… Wacht.’

De verkoopster verdwijnt in een achterkamertje. Even later keert ze terug met een wollen kersttrui van de allerlelijkste soort. De hoofdkleur is felrood en op de borst is een groen elfenpakje gebreid waarvan de kraag overeenkomt met de kraag van de werkelijke trui, waardoor de illusie wordt gewekt dat de persoon die de trui aanheeft, eigenlijk het kerstelfje is.

‘Deze trui is nog van de collectie van vorig jaar. Het is de laatste. Vorig jaar kostte die 62 euro, maar omdat het de laatste is, wil ik ze je wel voor 25 euro geven. En weet je wat? Ik doe je er nog een paar rode kousen bovenop. 25 euro voor de trui en de kousen, wat denk je?’
‘Ik weet het niet.’
‘Dat is toch een fijn cadeau? Het is ludiek en uniek.’
‘Welke maat is de trui?’
‘Een large. Maar een wollen trui mag een beetje oversized zijn. Als je schoonbroer wat aan de slanke kant is, heeft dat nog een leuk effect. En als hij niet slank is, dan zal de trui goed passen.’
‘Je hebt gelijk. Maar hij zal wel slank zijn. Laura houdt niet van mannen met een maatje meer. Dankjewel. Dat is heel vriendelijk van je’, zeg je beduusd.
‘Welke maat kousen wil je?’
‘Euh.’
‘39-42 of 43-46?’
‘Geen idee. Doe maar 43-46.’
‘Prima. Zal ik ze mooi inpakken voor je?’
‘Oh, ja, dat zou heel lief zijn, ik kan dat niet zo goed.’
‘Een pakje of twee?’
‘Doe maar een. Je hebt vast al werk genoeg.’

De verkoopster pakt samen met de trui en de kousen ook jou in. Zachte rillingen glijden over je rug terwijl je in een totale staat van ontspanning haar handelingen volgt. Naast een vrouw als haar zou je maar wat graag elke nacht wakker liggen. Je overhandigt haar het geld en overwint dan je angst.

‘Mag ik je wat vragen?’ zeg je te zacht.
‘Vraag maar’, antwoordt ze nieuwsgierig.
‘Wel, euh, zou jij eventueel volgende week of zo iets willen gaan drinken of zo, samen? Nee zeker?’
De ogen van de vrouw glimlachen.
‘Integendeel. Met veel plezier zelfs. Lijkt me erg fijn. Zal ik je mijn nummer opschrijven?’
‘Graag’, zeg je, met de glimlach van een achtjarige die een groot cadeau mag openmaken. De verkoopster noteert haar telefoonnummer op een papiertje. Je haalt je smartphone boven, klaar om haar nummer meteen op te slaan. Het is twintig over zes. Nog steeds 3% batterij.

‘Wat ik je trouwens al de hele tijd wilde zeggen: prachtige jas heb je.’
‘Bedankt. Jij ook. Ik bedoel: jij bent ook heel erg mooi gekleed.’
‘Dankjewel. Hoe heet je eigenlijk?’
‘Juist, sorry, vergeten. Francesco. Francesco Saelens.’
‘Francesco? Mooie naam. Hij staat je.’
Je glimlacht als een achtjarige die twee grote cadeaus mag openmaken.
‘En jij? Hoe heet jij?’
‘Dat kan je lezen’, zegt ze speels, terwijl je het papiertje in ontvangst neemt.

Mona.

Het zweet breekt je uit. Mona.

Je frommelt het papiertje op en stopt het in je broekzak. Je graait het pak van de toonbank en haast je naar de deur. In de weerkaatsing van de etalage zie je Mona de wenkbrauwen fronsen.

‘Is er iets?’
‘Ik moet, euh, weg’, stamel je zonder om te kijken.
‘Je belt me toch?’ vraagt ze, maar jij verlaat de boetiek. Je hart bonst als een discotheek. Je stapt de verkeerde richting uit, weet links niet meer van rechts te onderscheiden, bent van de wereld weg. Al wat verdwijnt keert op de een of andere manier ooit terug. Karma als een boemerang.

Je weet jezelf pas te bedaren wanneer je een apotheek van wacht passeert. Je belt aan. Overhandigt de oude apotheker je twee voorschriften en vraagt ook nog iets tegen de hoofdpijn. Hij sloft weg als een archivaris, keert terug met twee doosjes, zegt:
‘Voor het slaapmiddel: begin met een halfje voor het slapengaan. Neem het wel pas vlak voor je naar bed gaat in. Anders kan je draaierig worden of hallucinaties zien. En de pijnstillers, ja, die ken je wel, zeker?’

Op straat is het nog kouder geworden. De apothekersklok geeft aan dat het nu drie minuten over zeven is en dat het tien graden onder nul is. De temperatuur lezen doet je het extra koud krijgen. Je wandelt stevig door. Je zinnen rillen. Gelukkig arriveren de bus en jij nu gelijktijdig aan de bushalte.

Een kwartier later open je de deur van het appartement. Je bent moe, hebt al weken niet meer deugddoend kunnen slapen, verlangt meer naar je bed dan naar wat ook. Je kleedt je meteen uit, schenkt jezelf een glas cola in, slikt ermee een volledige slaappil en twee pijnstillers in en voelt je haast ogenblikkelijk draaierig worden. Je laat het resterende halve glas cola achter, grist je smartphone mee van tafel en strompelt naar de slaapkamer. Het is niet eens halfacht en je ligt gelukzalig in bed. Je kijkt door het veluxraam naar de zwarte nacht en een lichtgevende pizza.

Een lichtgevende pizza?

Je probeert rechtop te zitten, beter te kijken naar de lichtbron. Een kolossale cirkel zigzagt door de lucht als een pingpongbal uit een oud arcadetoestel. Kleine lichtjes sieren de rand van de schotel als waren ze de korst van een pizza. Je zintuigen staan op scherp.

Een ufo!

Dit is je kans voor een grote scoop als journalist, besef je. Je hebt beeldmateriaal nodig.

Zo snel je kan raap je je smartphone van je nachtkastje. Je wil hem uit stand-by wekken, maar het scherm blijft zwart, je ziet er alleen maar de weerkaatsing van je frustratie in. Je herhaalt je poging, smeekt je smartphone om een teken van leven, maar tevergeefs. ‘Rotbatterij’, vloek je, schrei je, terwijl je de pizza door de lucht ziet stuiteren.

Je klautert het bed uit, struikelt meteen van duizeligheid, strompelt over de vloer naar je bureau, naar de oplader. Een heroïsche kruiptocht van je-weet-niet-hoeveel-seconden later steek je de lader in het stopcontact, plug je de adapter in je smartphone, schakel je die in.

De hemel is weer onaangeroerd zwart. Van de lichtgevende pizza is geen spoor meer. Je kleeft je gelaat tegen het veluxraam als was je een wanhopige kreeft in een restaurantaquarium. Je weet niet meer wat je net hebt gezien. Je weet niet meer wat te doen. Of toch. Slapen. Eindelijk. Eindelijk.

Je laat je achterovervallen op bed, sluit je ogen, tolt door de lucht als een lichtgevende Mona die een pizza van elfjes eet. Enkele ogenblikken later word je wakker. Je kijkt naar je smartphone. Het is 24 december en halfeen in de namiddag. Je batterij is voor 100% gevuld. Je hebt zeventien uur geslapen.

 

And there’s a smile on everyone
So, now, correct me if I’m wrong
This looks like fun
This looks like fun
Oh, could it be I got my wish?
What’s this?

– Danny Elfman

Hij bedoelde het als grap, maar ik vond het een goed idee – deel 1

Wat heeft iedereen toch tegen iemand die niet aan de norm voldoet?

 

I don’t know where is up or down
And there ain’t any love left around
Everybody’s wearing a frown
Waiting for Santa to come to town

 

Ongeveer twee minuten voor het einde van zijn spreekuur buzzt dokter Vermorgen je zijn praktijk binnen. Je zweet de opluchting uit je lichaam. Doordat de bus te vroeg was en jij te laat, heb je meer dan een kilometer moeten rennen. Volgens de apothekersklok was het zeven graden onder nul. Onderweg ben je drie keer uitgegleden. Volwassen mannen met oorwarmers en Bikkembergsschoenen staarden je aan alsof jij de idioot op straat was. Probeer bij vriesweer zelf maar eens gehaast te zijn op brogues met houten zolen, wilde je hen toesnauwen, maar daar had je de tijd niet voor. Je stapt gehaast door de gang van je huisarts, bergt je muziekoortjes op in de binnenzak van je pardessus met pantermotief en opent de deur van de wachtkamer met het zelfvertrouwen van iemand die gaat solliciteren voor een job die hij niet wil.

‘Oh.’

Drie bejaarde gezichten kijken op. Drie meer dan je verwacht had. Drie meer dan je voorzien had. Wie gaat er nu de dag voor kerstavond in de namiddag naar een huisarts?

‘Hallo’, mopper je, en je gaat gehaast op de stoel zitten die naast het Ikeatafeltje vol met roddelboekjes staat. De bejaarden gapen naar hun respectieve smartphoneschermen. Je denkt na over hoe je je uit deze situatie kan redden. De tijdbom tikt. De winkels sluiten over anderhalf uur. Je waagt het erop.

‘Excuseer?’ zeg je tegen de wachtkamer. Niemand reageert. Je mag je niet laten ontmoedigen. Deze situatie is een metafoor voor je leven. ‘Zou ik eventueel als volgende mogen? Ik kom louter een voorschrift ophalen.’ Weer reageert niemand. Zouden de bejaarden doof zijn? Even gun je ze het voordeel van de twijfel. Dan stijgt zacht gezoem uit je binnenzak op. Je herkent het als Life in Vain van Daniel Johnston. De muziek overstemt het geadem van mensen die veel tijd en weinig geduld hebben. En die nog steeds over een puntgaaf gehoor beschikken.

‘Sst.’

De drie bejaarden sissen als warme melk die overkookt. Je doet alsof je de hint niet begrijpt. Tevergeefs. Niet veel later herhalen ze de onomatopeïsche leuze van de Bond Zonder Verdraagzaamheid. Je zwicht voor de wet van de meerderheid, haalt je smartphone uit je achterzak en sluit de muziekapplicatie af. Het batterij-icoontje geeft 5% aan. Smartphones en vrieskou zullen nooit goede vrienden worden. Met wie zal jij eigenlijk ooit nog goede vrienden worden? Wat heeft iedereen toch tegen jou? En waarom moet het überhaupt stil zijn in de wachtkamer van een huisarts?

Naar het adagio van pseudo-intellectuelen die maar matig citaten kunnen onthouden, pas je de alom bekende frase van Remco Campert in de praktijk toe: verzet begint niet met grote woorden, maar met luide zuchten. De bejaarden kijken niet meer op. Val dood, wens je hen in gedachten toe, maar dan besef je dat dat voor nog meer tijdverlies zou zorgen. Je leunt achterover, sluit je ogen en begint haast ogenblikkelijk te zweten. Zo gaat het al weken. Overal heb je het te koud. In je appartement heb je de thermostaat opgedreven naar een temperatuur waarbij zelfs Lucifer zou zeggen dat het gerust een paar graden frisser mag. Maar waar je ook bent, hoe koud het daar ook is: zodra je je ogen sluit, begin je te zweten.

Drieënhalf roddelboekje later roept dokter Vermorgen de laatste bejaarde naar zijn kabinet. Je blijft alleen achter. Eindelijk. Je haalt je smartphone uit je achterzak. 17.23 uur. De batterij is nog maar voor 4% gevuld. De winkels sluiten over iets meer dan een halfuur. Je wordt steeds nerveuzer. Je begint noodscenario’s te bedenken. Wat moet je doen als je vandaag geen cadeau vindt? Je kan morgen toch niet meer gaan shoppen? Die stress past niet in je planning. In tijden van onoverzichtelijke chaos klamp je je amechtig vast aan de weinige structuur die je leven nog bevat. Wat moet je trouwens kopen voor de nieuwe partner van je zus? Het zweet spat van je voorhoofd.

‘De volgende.’

De stem van dokter Vermorgen betreedt je gedachten als een inbreker die je verwelkomt met een omhelzing. Je staat op, legt het roddelblad dat je aan het doorbladeren was terug op de stapel en rept je naar de gang. Je ziet hoe de laatste bejaarde met een voorschrift in de hand de praktijk verlaat. Dokter Vermorgen begroet je met de glimlach.

‘Dag Francesco.’
‘Dag dokter.’
‘Alles goed?’
‘Als dat zo was, dan was ik niet hier.’
‘Ik hoor het al: een depressie.’

Jullie gaan allebei zitten. Op zijn oude computer opent dokter Vermorgen mijn medisch dossier. Mijn bijna vijf jaar oude pasfoto verschijnt op zijn scherm. Zoals bij elke consultatie bekijkt hij de foto en zegt hij:

‘Je haar was toen langer.’
‘Dat is waar.’
‘En je had toen geen snor.’
‘Klopt.’
‘Vertel eens, Francesco, wat kan ik voor je doen?’

Nog voor je dokter Vermorgen van je haast en je slaapproblemen hebt kunnen vertellen, rinkelt zijn telefoontoestel. Een kort gesprek tussen dokter Vermorgen en de onbekende andere ontspint zich. Na achtentwintig seconden waarin de dokter louter ‘ja’, ‘nee’ en ‘tot ziens’ heeft gezegd, gooit hij de hoorn terug op de haak.

‘Weet je wie dat was?’
‘Nee.’
‘Carmen Waterslaeghers. Om te vragen of ze haar jas kan terugkrijgen.’

De dokter lacht hardop om zijn eigen grap. Hij alludeert op je panterjas. Wat heeft iedereen toch tegen iemand die niet aan de norm voldoet? Je weerkaatst zijn overbodige grap met overbodige kennis.

‘Carmen heet eigenlijk niet Waterslaeghers, maar Van Dormael. Carmen Virginie Philomène Van Dormael. Dat kom je te weten in de tiende aflevering van seizoen 3, Kiescampagne, waarin zowel Boma als Pico opkomen voor de gemeenteraadsverkiezingen en waarin DDT voorzitter is van het kiesbureau.’

Het gelaat van dokter Vermorgen verstart. Je glimlacht. Beseft dan dat hij nu vast aan het overwegen is om je te laten interneren. Je vertelt hem van je slaapproblemen. Dat je al enkele maanden moeite hebt om in slaap te vallen. Van je zweetaanvallen. Dat je consequent niet naar blauw licht kijkt voor je naar de slaapkamer gaat. Dat je zelfs elke avond een kom warme melk met honing drinkt.

De dokter bekijkt je professioneel bezorgd. Luistert naar je ademhaling. Controleert je bloeddruk. Vraagt je dan of je stress hebt.

‘Voor zover ik weet niet echt, nee.’
‘Wat is je beroep?’
‘Ik ben journalist. Ik schrijf. En ik maak documentaires.’
‘Voor televisie?’
‘Nee.’
‘Voor de radio?’
‘Ja. Nee. Niet echt. Het is ingewikkeld. Ik maak podcasts. Die plaats ik op mijn website en mensen kunnen die gratis beluisteren.’
‘Kan je ervan leven?’
‘Dat begint te komen’, lieg je oprecht. ‘Het is niet eenvoudig, maar alle begin is moeilijk.’ Je uitkering is tenslotte ook een loon, denk je, je verdiende loon. En bestaat er eigenlijk een medicijn dat clichés bestrijdt als symptoom van sociaal ongemak?

‘Is er iets dat je dwarszit? Iets anders dan de slaapproblemen dat mogelijk je stress zou kunnen veroorzaken?’
‘Ik denk van niet. Soms wou ik wel dat mensen uit mijn omgeving mij iets aardiger vonden, maar dat is niet nieuw, dat is altijd zo geweest. Mensen vinden mij meestal niet zo aangenaam.’

Je schrikt van jezelf, weet niet waarom je plots zo openhartig bent. Dokter Vermorgen kantelt zijn hoofd begripvol.
‘Voor het inslapen ga ik je een slaapmiddel voorschrijven. Het belangrijkste is dat je nu enkele nachten zorgeloos kan slapen. Dat zou de vicieuze cirkel van slaapproblemen moeten doorbreken. Normaal gezien zou je rond Nieuwjaar zonder het slaapmiddel moeten kunnen. Begin met een halfje en probeer over enkele dagen een kwartje. Goed? En mocht er toch iets zijn dat je dwarszit: je weet me te bereiken.’
‘Bedankt, dokter.’
‘Dat is dan 1 euro.’

Je betaalt dokter Vermorgen het armoezaaiertarief. Neemt het onleesbare voorschrift in ontvangst. Schudt de dokter de hand. Twijfelt. Vraagt hem:
‘Wat zou u graag krijgen van uw Secret Santa?’
‘Een vakantie naar Curaçao voor een week of drie in een sterrenhotel met vol pension.’
‘Het budget is 25 euro.’
‘Oh. Doe dan maar een warme trui of zo.’
‘Hoe laat is het, dokter?’
‘Bijna twintig voor zes.’

Nog niet eens een halve minuut later sta je op straat. Het is donker, kil, guur, droog. De wind slaat je nietsontziend in het gezicht. Over twintig minuten sluiten de winkels. Je rent. Rent als een panter. Rent in de richting van de winkelstraat. Schaatst je een weg over het voetpad dat meer een pas geboende ijspiste lijkt. Steekt zonder te kijken het zebrapad over. Hoort dan een hysterische mannenstem ‘Pas op!’ krijsen.

Je schrikt. Balanceert. Glijdt dan het zebrapad over als iemand die stilstaat op een loopband. Weet je in allerijl vast te klampen aan een straatlantaarn. Oef. Je kijkt op. Ziet dan hoe een dwerg op een autoped heftig trappend het zebrapad dwarst. Hij steekt zijn te kleine middelvinger naar je op, vloekt: ‘Kijk waar je loopt, idioot met je belachelijke jas.’

En je kan er niets aan doen, je kan het niet onderdrukken. Wat je ziet, is surreëel, en als het niet surreëel is, dan is het hyperrealistisch, en als het niet hyperrealistisch is, dan is het op zijn minst potsierlijk. En je lacht. Je lacht hem uit, spontaan, hardop, veel te luid, die volwassen man van niet eens een meter dertig die tegen je staat te briesen op zijn autoped voor kinderen van acht. Je gelach zwelt aan. Zijn woede slaat om.

‘Val dood’, roept hij je toe met tranen in de keel, terwijl hij zich met zijn autoped een weg door de muur van onbegrip en tegenwind probeert te banen. Het was niet de eerste keer dat hem hoongelach te beurt viel. Het spijt je.

‘Het spijt me. Vrolijk kerstfeest, jongen, ik bedoel: meneer’, roep je hem achterna, maar je weet niet of je woorden zijn puntoren door de tegenwind nog weten te bereiken. Je dist je smartphone op. Het is 17.43 uur. Nog maar 3% batterij. Je steekt hem vlug weer weg in de bekende warmte van je panterjas. In de verte hoor je de dwerg foeteren tegen een toeterende automobilist.

Wat heeft iedereen toch tegen iemand die niet aan de norm voldoet?

 

You’re giving it up so plain
You’re living your life in vain
And where am I going to?

 

– Daniel Johnston